← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.8 Rolnummer: P.25.1711.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 491 - laatst gezien 2026-06-18 16:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Tekst van de beslissing Nr. P.25.1711.N D. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Koen Bentein, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 6 november 2025. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet en artikel 7 van het koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte (hierna KB Bloedproef): het bestreden vonnis oordeelt met overname van de redenen van het beroepen vonnis ten onrechte dat het volstaat om het bloedstaal op te sturen naar een erkend laboratorium en het niet nodig is een deskundige nominatim te vermelden. 2. Artikel 7, eerste lid, KB Bloedproef bepaalt: “De rechterlijke overheid vordert een in een erkend laboratorium optredend deskundige op om het bloed te ontleden.” Het is vereist maar ook voldoende dat de analyse wordt uitgevoerd door een deskundige van een erkend laboratorium, zonder dat reeds in de vordering van het openbaar ministerie tot uitvoering van een bloedanalyse in het bijzonder een deskundige die verbonden is aan het betrokken laboratorium bij naam wordt aangeduid. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet en artikel 7 KB Bloedproef: het bestreden vonnis beantwoordt niet het door de eiseres gevoerde verweer met betrekking tot de in acht te nemen termijn om het gevraagde onderzoek uit te voeren; de in het artikel 7 van het vermelde koninklijk besluit vermelde termijnen zijn essentieel om te waken over de wetenschappelijke correctheid van de analyses; bijgevolg kan er aan de resultaten van een buiten die termijnen uitgevoerde bloedanalyse geen wettelijke bewijswaarde worden gehecht. 4. Artikel 7, derde lid, KB Bloedproef bepaalt: “De deskundige verricht de analyse zo spoedig als de omstandigheden het mogelijk maken en legt zijn verslag over binnen zeven dagen na het ontvangen van de vordering. Wat van het staal overblijft, wordt in het laboratorium, waaraan de deskundige verbonden is, bewaard gedurende drie maanden, te rekenen vanaf de bloedafneming en wordt daarna overgebracht, tegen ontvangstbewijs, aan de griffie van de bevoegde rechtbank.” Die termijn is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven en de miskenning ervan leidt dan ook daardoor alleen niet tot het verlies van de bewijswaarde van de resultaten van het bloedonderzoek. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. Het bestreden vonnis oordeelt niet alleen zoals weergegeven in het onderdeel. Het oordeelt ook dat de eiseres in hoger beroep geen bijkomende motivering ontwikkelt, doch zich beperkt tot de verwijzing naar het beroepen vonnis in de passages, die het bestreden vonnis herneemt. Met die redenen beantwoordt het bestreden vonnis het door de eiseres gevoerde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet en artikel 7 KB Bloedproef: het bestreden vonnis dekt alle anomalieën en foutieve toepassingen van de wetgeving toe met de toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; de betrouwbaarheid van het bewijs en het recht op een eerlijk proces worden hierdoor aangetast. 7. Gelet op het antwoord op het eerste en het tweede onderdeel, is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 37/1, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis beantwoordt niet de argumenten die de eiseres aanvoerde in haar appelconclusie; het bestreden vonnis beperkt zich ertoe die argumenten en het voorgelegde bewijsstuk op te sommen en te oordelen dat er geen redenen zijn om af te wijken van de verplichting om een alcoholslot op te leggen of niet van aard zijn om tot een ander oordeel te komen; aldus beantwoordt het bestreden vonnis niet op gemotiveerde wijze de appelconclusie van de eiseres. 9. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de gemeten alcoholconcentratie betrof 2,46 gram per liter bloed, zodat de rechtbank een alcoholslot moet opleggen; - er zijn geen redenen om hiervan af te wijken; er wordt onder meer verwezen naar het strafverleden van de eiseres, waaruit blijkt dat zij reeds eerder een gelijkaardige veroordeling opliep; - het door de eiseres neergelegde stuk, meer bepaald een Peth-test van 11 september 2025, waaruit blijkt dat zij nog alcohol gebruikt (de toxicologie wijst op ‘sociaal drinkgedrag’) is niet van aard om anders te oordelen; - ook het gegeven dat er onderzoeken zijn gekoppeld aan het herstel van het recht tot sturen en dat haar zoon binnenkort met haar voertuig moet leren rijden, doen geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen. Met die redenen beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.