← België

VLAAMS GEWEST contra IMMO PIRON sarl

Obsah (4)Art. 1235Art. 1376Art. 1382Art. 1383

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026

Art. 1235

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1376

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - VERKAVELING Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1235

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1376

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 6 - 7 De fout van de wet- of decreetgever, waarvoor al naargelang de Staat of het betrokken Gewest of de Gemeenschap op grond van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld, bestaat in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerde handelwijze die moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige wetgever die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, onder voorbehoud van een onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaalrechtelijke norm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, die hem gebiedt iets niet te doen of op een bepaalde wijze te doen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 8 - 10 Artikel 108, derde lid, VWEU dat een preventieve controle op voorgenomen steunmaatregelen door de Commissie moet mogelijk maken, verplicht de wet- of de decreetgever om voorgenomen nieuwe steunmaatregelen vóór de goedkeuring ervan aan te melden bij de Europese Commissie en houdt aldus een verplichting in om op een welbepaalde wijze iets te doen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiches 11 - 12 Het niet-aanmelden van een nieuwe steunmaatregel vormt een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 13 - 14 Bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet alle gegevens te vermelden waarop hij zijn beslissing laat steunen; uit het enkele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld, volgt niet dat de rechter dit niet heeft onderzocht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 15 - 16 Hoewel artikel 149 van de Grondwet vereist dat de beslissing van de feitenrechter redenen bevat die het Hof van Cassatie in staat moeten stellen zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen, kan die toetsing enkel betrekking hebben op vragen die aan de feitenrechter werden voorgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0361.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed, met kabinet te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiser woonplaats kiest. tegen
  1. IMMO PIRON sarl, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 9972 Lieler (Groot-Hertogdom Luxemburg), Om Bierg 15, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0876.353.032, verweerster vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest,
  2. COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN STAD LOKEREN, met zetel te 9160 Lokeren, Groentemarkt 1,
  3. STAD LOKEREN, met zetel te 9160 Lokeren, Groentemarkt 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.463.402, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 25 maart 2024, op verwijzing gewezen na het arrest van het Hof van 17 februari
  4. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 20 februari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest nr. 145/2013 van 7 november 2013 (r.o. B.5.1 tot B.6.2) dat bepaalde fiscale stimulansen en subsidiemechanismen die beogen de sociale last te compenseren staatssteun uitmaken in de zin van artikel 107 VWEU en dat zij niet waren vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie ingevolge artikel 108 van hetzelfde Verdrag. Aangezien vier steunmaatregelen uit het Decreet Grond- en Pandenbeleid niet tijdig zijn aangemeld, werden zij door het Grondwettelijk Hof vernietigd. Om reden dat de vernietiging van die vier maatregelen ertoe leidt dat de private actoren de sociale last moeten dragen zonder enige compensatie en dat in die omstandigheden de sociale last een zware last is die niet evenredig is met de doelstelling van de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod, werden de bepalingen in verband met de sociale last door hetzelfde arrest van het Grondwettelijk Hof vernietigd (r.o. B.
  6. tot B.10.2). Het Grondwettelijk Hof heeft de vernietiging tevens uitgebreid tot een aantal bepalingen van zowel het Decreet Grond- en Pandenbeleid als van de VCRO die onlosmakelijk verbonden zijn met de sociale lastenregeling om te verhinderen dat de vernietigde last alsnog, rechtstreeks of onrechtstreeks, op grond van andere bepalingen zou kunnen worden opgelegd, aangezien hun voortbestaan rechtsonzekerheid zou veroorzaken, in zoverre zij betrekking hebben op de sociale last.
  7. Ingevolge het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof kon de vergunningverlenende overheid niet alleen aan het verlenen van verkavelingsvergunning niet langer een sociale last verbinden zoals bedoeld in het Decreet Grond- en Pandenbeleid, maar kwam tevens vast te staan dat een dergelijke sociale last die werd opgelegd in een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning onwettig werd opgelegd. De sociale last vormt een van de vergunning afsplitsbare handeling om reden dat zij, anders dan de voorwaarden die gekoppeld worden aan de vergunning, als louter bijkomende verplichting niet wordt opgelegd om het ingediende project vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar te maken.
  8. De rechter die gevat is door een vordering op grond van onverschuldigde betaling die verband houdt met een onwettig opgelegde sociale last in een verkavelingsvergunning, kan, om de vordering toe te wijzen, ermee volstaan vast te stellen dat de sociale last van de vergunning kon worden afgesplitst en onwettig is, zonder dat hij dient te onderzoeken of de vergunningverlenende overheid zonder de vernietigde bepalingen van het Decreet Grond- en Pandenbeleid precies dezelfde vergunning had toegekend zonder enige sociale last. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  9. De appelrechters oordelen niet alleen dat uit het arrest nr. 145/2013 van het Grondwettelijk Hof van 7 november 2013 en uit de afwijzing van het verzoek tot handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen, is af te leiden dat de Vlaamse decreetgever een fout beging, bestaande in de schending van een internationale rechtsnorm met uitwerking in de interne rechtsorde, maar onderzoeken zelf of de geschonden norm een verplichting oplegt om op een bepaalde wijze te handelen. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters het bestaan van een fout louter steunen op het absoluut gezag van gewijsde erga omnes van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 november 2013, steunt het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.
  10. De fout van de wet- of decreetgever, waarvoor al naargelang de Staat of het betrokken Gewest of de Gemeenschap op grond van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld, bestaat in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerde handelwijze die moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige wetgever die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, onder voorbehoud van een onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaalrechtelijke norm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, die hem gebiedt iets niet te doen of op een bepaalde wijze te doen.
  11. Krachtens artikel 108, derde lid, VWEU wordt de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 107 VWEU onverenigbaar is met de interne markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbesluit heeft geleid. Die verdragsbepaling die een preventieve controle op voorgenomen steunmaatregelen door de Commissie moet mogelijk maken, verplicht de wet- of de decreetgever om voorgenomen nieuwe steunmaatregelen vóór de goedkeuring ervan aan te melden bij de Europese Commissie en houdt aldus een verplichting in om op een welbepaalde wijze iets te doen. Het niet-aanmelden van een nieuwe steunmaatregel vormt dan ook een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond.
  12. Het onderdeel dat geheel berust op de onjuiste veronderstelling dat artikel 108, derde lid, VWEU geen verplichting oplegt om op een welbepaalde wijze te handelen, waarvan de niet-naleving op zichzelf tot aansprakelijkheid kan leiden, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  13. Bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet alle gegevens te vermelden waarop hij zijn beslissing laat steunen. Uit het enkele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld, volgt niet dat de rechter dit niet heeft onderzocht.
  14. De eiser heeft voor de appelrechters niet aangevoerd dat indien de steunmaatregelen wel zouden zijn aangemeld bij de Europese Commissie, zij als verboden staatsteun zouden zijn gekwalificeerd, het decreet bijgevolg niet had kunnen voorzien in een systeem van sociale lasten, de tweede verweerder als gevolg daarvan geen sociale last had kunnen bedingen en hij het thans terug te betalen bedrag nooit zou hebben ontvangen zodat zijn patrimoniale situatie niet verschillend zou zijn geweest van deze waarin hij nu verkeert en er bijgevolg geen causaal verband bestaat tussen de fout en de schade. Bij gebrek aan conclusie op dit punt, dienden de appelrechters niet vast te stellen wat er zou zijn gebeurd indien de steunmaatregelen wel aan de Europese Commissie zouden zijn aangemeld. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, kan het niet worden aangenomen.
  15. Hoewel artikel 149 Grondwet vereist dat de beslissing van de rechter redenen bevat die het Hof in staat moeten stellen zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen, kan die toetsing enkel betrekking hebben op vragen die aan de rechter werden voorgelegd. Aan de appelrechters werd niet de vraag voorgelegd wat er zou zijn gebeurd indien de steunmaatregelen wel aan de Europese Commissie zouden zijn voorgelegd. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet om reden dat de feitelijke vaststellingen van het arrest het Hof niet toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, kan het niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.077,25 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 26 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260326.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.1 precedenten: ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.