id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026
Art. 1385bis
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1385q
uater - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1385bis
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1385quater - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr.
C.25.0277.N KONINKLIJKE BELGISCHE BILJARTBOND vzw, met zetel te 1700 Dilbeek, Oudesmidsestraat 20, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0409.579.332, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen HECTOR CUE SPORTS BELGIUM bv, met zetel te 9450 Haaltert, Kerkskenhoek 72, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0701.664.148, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 15 oktober 2024 en 14 april
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 13 januari 2026 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het bestreden tussenarrest van 15 oktober 2024 geeft geen uitleg van het uitleggingsarrest van de dwangsomrechter in hoger beroep van 29 januari 2025, dat daarna werd geveld. In zoverre mist het middel, voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van 15 oktober 2024, feitelijke grondslag.
- De appelrechter oordeelt in het bestreden tussenarrest van 15 oktober 2024 dat: - de dwangsomrechter in zijn arrest van 24 januari 2024 het hoger beroep van de eiseres “slechts zeer gedeeltelijk (enkel betreffende de wettelijke basis, de duur en de precisie van het stakingsbevel en het maximum aan te verbeuren dwangsommen)” gegrond heeft verklaard; - dit erop lijkt te wijzen dat het vonnis van de dwangsomrechter van 30 november 2021 overeind blijft, behoudens wat betreft de wettelijke basis, de duur en de precisie van het stakingsbevel, wat lijkt te slaan op de beperking in de tijd: van 1 december 2021 tot 15 maart 2022, en het opgelegde maximum.
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, ontkent het bestreden tussenarrest van 15 oktober 2024 hierdoor niet dat de dwangsomrechter in zijn arrest van 24 januari 2024 het stakingsbevel van de eerste rechter ook heeft hervormd wat betreft de precisie, te weten de omschrijving van de te staken daad. In zoverre het middel, voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van 15 oktober 2024, op die grond de miskenning van de bewijskracht aanvoert van het arrest van 24 januari 2024, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden tussenarrest van 15 oktober 2024 en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel, voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van 15 oktober 2024, schending aanvoert van de artikelen 26, 28 en 793, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, is het afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten en is het derhalve niet ontvankelijk.
- Artikel XVII.1, eerste lid, WER, zoals hier van toepassing, bepaalt dat de voorzitter van de ondernemingsrechtbank het bestaan vaststelt en de staking beveelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dat wetboek. Het bevel tot staking moet de handeling waaraan het een einde wenst te stellen, op duidelijke wijze omschrijven en alle kenmerkende gegevens vermelden, zodat er bij de verweerder geen redelijke twijfel kan ontstaan over de draagwijdte van het bevel.
- Krachtens artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek kan de rechter op vordering van een der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn. Krachtens artikel 1385quater van hetzelfde wetboek komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen en kan deze partij de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Uit deze wetsbepalingen volgt dat de veroordeling om iets te doen, waaraan voor het geval aan die hoofdveroordeling niet wordt voldaan, de verbeurte van een dwangsom wordt gekoppeld, voldoende nauwkeurig moet worden geformuleerd.
- Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de dwangsomrechter in zijn vonnis van 30 november 2021 een inbreuk door de eiseres op het mededingingsrecht vaststelt doordat zij “vanuit een absolute machtspositie aan bepaalde leveranciers van biljartbenodigdheden (zoals biljartballen of biljarttafels) exclusieve rechten is (blijven) verlenen met betrekking tot door [de eiseres] georganiseerde biljartwedstrijden op nationaal niveau, zonder hiervoor eerst op transparante en objectieve wijze een tender of een aanbesteding te organiseren” en de staking beveelt van die praktijk onder verbeurte van een dwangsom; - de dwangsomrechter in zijn arrest van 24 januari 2024 in hoger beroep bevestigt dat de eiseres een inbreuk op het mededingingsrecht heeft begaan “door in 2020 langdurige en exclusieve sponsorovereenkomsten te hebben gesloten met [twee leveranciers] zonder een objectieve, transparante en niet-discriminerende aanbesteding te organiseren, derwijze dat alle andere handelspartners bij voorbaat werden uitgesloten” en preciseert dat het stakingsbevel de staking door de eiseres omvat van “elke berichtgeving op haar website of op elke andere manier in verband met (één van) deze beide overeenkomsten” onder verbeurte van een dwangsom.
- Door te oordelen dat de hoofdveroordeling in het vonnis van 30 november 2021 voldoende nauwkeurig was geformuleerd en dat de eiseres precies wist wat haar te doen stond, zodat op grond van dit vonnis dwangsommen waren verbeurd in de periode van 3 december 2021 tot 17 januari 2022, terwijl het niet duidelijk was dat die oorspronkelijke hoofdveroordeling ook strekte tot de staking door de eiseres van “elke berichtgeving op haar website of op elke andere manier in verband met (één van) deze beide overeenkomsten” en dit juist in het arrest van 24 januari 2024 werd gepreciseerd, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. In zoverre het middel is gericht tegen het eindarrest van 14 april 2025, is het gegrond. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep tegen het tussenarrest van 15 oktober
- Vernietigt het bestreden eindarrest van 14 april
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Verwerpt het cassatieberoep tegen het tussenarrest van 15 oktober
- Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div