id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.4 Rolnummer: C.25.0294.N Zaak: PORTA MUNDI nv contra 4 HEALTHY PETS nv Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 391 - laatst gezien 2026-06-18 06:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Een situatie die op de datum waarop de pakketreisovereenkomst werd gesloten, reeds bij de betrokken reiziger bekend was of voor hem voorzienbaar was, kan niet door die reiziger worden ingeroepen wegens onvermijdbare en buitengewone omstandigheden, waarbij evenwel de mogelijkheid blijft bestaan dat die situatie, omdat die aan veranderingen onderhevig kan zijn, na de sluiting van de overeenkomst aanzienlijke wijzigingen heeft ondergaan waardoor een nieuwe situatie is ontstaan die als zodanig kan beantwoorden aan de definitie van het begrip onvermijdbare en buitengewone omstandigheden
(1)HvJ, van 29 februari 2024, C-299/22, Tez Tour. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten - 21-11-2017 - Art. 2, 12° - 04 ELI link Pub nr 2017014061 Wet 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten - 21-11-2017 - Art. 29 - 04 ELI link Pub nr 2017014061 Wet 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten - 21-11-2017 - Art. 30 - 04 ELI link Pub nr 2017014061 Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 - Art. 3, 12° Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 - Art. 12 Tekst van de beslissing Nr. C.25.0294.N PORTA MUNDI nv, met zetel te 9000 Gent, Ottergemsesteenweg-Zuid 808 bus B41, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0870.740.888, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 4 HEALTHY PETS nv, met zetel te 8500 Kortrijk, Spinnerijstraat 101 bus 23, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0550.614.263, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 juni
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 28 januari 2026 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit de stukken waarop het Hof vermag acht kan slaan, blijkt dat: - de verweerster voor een 150-tal van haar medewerkers een teambuildingreis wenste te laten organiseren in Winterberg (Duitsland); - zij hiervoor begin 2020 een beroep deed op de diensten van een reisbureau uitgebaat door de eiseres; - in maart 2020 echter de COVID 19-pandemie uitbrak en de uitgevaardigde coronamaatregelen ertoe leidden dat de geplande reis niet kon doorgaan; - het de initiële bedoeling van partijen was om de reis toch nog te laten doorgaan op een later, meer aangewezen tijdstip, waarbij uiteindelijk werd geopteerd voor een driedaagse van 15 december 2021 tot 17 december 2021; - de verweerster hiertoe op 24 september 2021 aan de eiseres een voorschot betaalde van 51.365 euro; - terwijl de coronamaatregelen in de loop van 2021 geleidelijk werden versoepeld, zij in november 2021 opnieuw verstrengden, zowel in België als in Duitsland, ten gevolge van een nieuwe corona-uitbraak (omikronvariant); - de verweerster op 4 januari 2022 per brief van haar advocaat verklaarde definitief te willen afzien van de geplande teambuilding en terugbetaling van haar voorschot vroeg. III. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 30 van de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten (hierna Wet Pakketreizen), dat de omzetting vormt van artikel 12, lid 2, Richtlijn (EU) 2015/2302 van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen (hierna Richtlijn Pakketreizen), bepaalt dat, niettegenstaande artikel 29, indien zich op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis of die aanzienlijke gevolgen hebben voor het passagiersvervoer naar de plaats van bestemming, de reiziger het recht heeft de pakketreisovereenkomst vóór het begin van de pakketreis zonder betaling van een opzegvergoeding op te zeggen. In geval van opzegging van de pakketreisovereenkomst op grond van dit artikel heeft de reiziger recht op een volledige terugbetaling van alle voor de pakketreis betaalde bedragen, maar kan hij geen aanspraak maken op een bijkomende schadevergoeding. Krachtens artikel 2, 12°, Wet Pakketreizen, dat de omzetting vormt van artikel 3, 12°, Richtlijn Pakketreizen, wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder onvermijdbare en buitengewone omstandigheden: een situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle redelijke voorzorgsmaatregelen niet te vermijden waren.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 29 februari 2024, C-299/22, Tez Tour, geoordeeld dat: - omstandigheden die de reiziger bij de sluiting van de pakketreisovereenkomst reeds kende of voor hem voorzienbaar waren, geen reden kunnen zijn om een beroep te doen op het in artikel 12, lid 2, Richtlijn Pakketreizen bedoelde recht om een dergelijke overeenkomst te beëindigen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen (r.o. 79); - een bestaande situatie immers naar haar aard niet als onvermijdbaar kan worden aangemerkt en een hypothetische situatie, wanneer zij voorzienbaar is, niet als buitengewoon kan worden aangemerkt (r.o. 75); - uit de overwegingen 30 en 31 van de Richtlijn Pakketreizen ook blijkt dat het beëindigingsrecht van de reiziger in het kader van een onvoorzienbare verandering van omstandigheden staat (r.o. 77); - deze uitleg ten slotte strookt met het door de Richtlijn Pakketreizen nagestreefde doel van consumentenbescherming, waarvoor niet vereist is dat reizigers worden beschermd tegen risico’s die, toen zij de pakketreisovereenkomst sloten, reeds bekend waren of voor hen voorzienbaar waren en die zij dus met het oog op hun reis hebben aanvaard (r.o. 78); - betreffende de beoordeling van een situatie die bestond of voorzienbaar was op het tijdstip waarop de betrokken pakketreisovereenkomst werd gesloten, maar waarbij een grote ontwikkeling heeft plaatsgevonden, moet worden gepreciseerd dat een dergelijke situatie na de sluiting van die overeenkomst mogelijkerwijs aanzienlijke wijzigingen heeft ondergaan, zodat die situatie verschilt van die waarvan de betrokken reiziger op de hoogte was of die hij redelijkerwijs kon voorzien toen hij die overeenkomst sloot (r.o. 80); - in een dergelijk geval deze ontwikkelingen in de praktijk kunnen leiden tot een nieuwe situatie die als zodanig kan beantwoorden aan de definitie van het begrip onvermijdbare en buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 12, lid 2, Richtlijn Pakketreizen (r.o. 81); - het aan de verwijzende rechter staat om vanuit het perspectief van een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende reiziger te beoordelen of het gezondheidsrisico op de datum van de opzegging van de pakketreisovereenkomst aanzienlijk was veranderd vergeleken met het risico dat bestond of voorzienbaar was op de datum van de sluiting van de overeenkomst (r.o. 82); - artikel 12, lid 2, Richtlijn Pakketreizen bijgevolg aldus moet worden uitgelegd dat een situatie die op de datum waarop de pakketreisovereenkomst werd gesloten, reeds bij de betrokken reiziger bekend was of voor hem voorzienbaar was, niet door die reiziger kan worden ingeroepen wegens onvermijdbare en buitengewone omstandigheden in de zin van die bepaling, waarbij evenwel de mogelijkheid blijft bestaan dat die situatie, omdat die aan veranderingen onderhevig kan zijn, na de sluiting van de overeenkomst aanzienlijke wijzigingen heeft ondergaan waardoor een nieuwe situatie is ontstaan die als zodanig kan beantwoorden aan de definitie van het begrip onvermijdbare en buitengewone omstandigheden (r.o. 83).
- De appelrechter oordeelt dat: - de eiseres stelt dat er geen sprake is van overmacht, nu de gevolgen van de coronapandemie voorzienbaar waren en deze gevolgen de beoogde teambuildingreis niet onmogelijk maakten; - voor de toepassing van artikel 30 Wet Pakketreizen evenwel geen sprake dient te zijn van overmacht in gemeenrechtelijke zin, maar een veel breder en soepeler criterium wordt gehanteerd, waarbij het volstaat dat zich onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis of die aanzienlijke gevolgen hebben voor het passagiersvervoer naar de plaats van bestemming; - los van de discussie of de evolutie en de impact van de in alle Europese landen opgelegde coronamaatregelen al dan niet voorzienbaar waren, in dit geval vaststaat dat deze maatregelen onvermijdbaar en buitengewoon waren, nu iedere burger verplicht onderworpen was aan hoogst ongebruikelijke beperkingen van de persoonlijke vrijheid; - los van de discussie of de teambuildingreis al dan niet onmogelijk was geworden, op basis van de beschikbare stukken en elementen van het dossier blijkt dat de coronamaatregelen (met name de reisbeperkingen en beperkingen in persoonlijke contacten met verplichting tot het houden van afstand tot elkaar en het dragen van mondmaskers) ertoe leidden dat (a) de omstandigheden voor een geslaagde teambuilding manifest niet voorhanden waren en (b) het hoogst twijfelachtig was dat alle medewerkers aanwezig zouden kunnen zijn, aange-zien deze uit tal van verschillende landen dienden in te reizen.
- Door op die grond te oordelen dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 30 Wet Pakketreizen, zonder te onderzoeken of, in het licht van de evolutie van de coronamaatregelen, de situatie die voor de verweerster de reden was om de pakketreisovereenkomst op 4 januari 2022 op te zeggen aanzienlijk was veranderd vergeleken met het risico dat bestond of voorzienbaar was op de datum van de sluiting van die overeenkomst maar het al dan niet voorzienbare karakter van de coronamaatregelen die golden op de datum van de opzegging van de overeenkomst daarentegen irrelevant te achten voor de toepassing van deze wetsbepaling, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie
- De cassatie van de beslissing over de hoofdvordering van de verweerster tot terugbetaling van het voorschot op grond van artikel 30 Wet Pakketreizen strekt zich uit tot de nauw ermee verbonden beslissing over de tegenvordering van de eiseres tot betaling van een vergoeding door de verweerster van de reeds geleverde prestaties, en dienvolgens tot het bestreden arrest in zijn geheel. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div