id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.5 Rolnummer: C.25.0307.N Zaak: NMBS NV contra THUISPUNT GENT BV Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 360 - laatst gezien 2026-06-18 06:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Uit de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van artikel 159 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven blijkt dat zij ertoe strekt in principe de daadwerkelijke onteigening te verbieden van de onroerende goederen die eigendom zijn van de eiseres, behoudens wanneer de Koning, op voordracht van de minister bevoegd voor de overheidsbedrijven en na advies van de raad van bestuur van de eiseres, uitzonderlijk de onteigening van een onroerend goed toelaat dat niet langer nuttig zou zijn voor de spoorwegexploitatie; hieruit volgt dat de toelating van de Koning als bedoeld in voormeld artikel 159 uitsluitend moet voorafgaan aan een beslissing tot daadwerkelijke onteigening, zoals het definitief onteigeningsbesluit bedoeld in de artikelen 2, 2°, en 28 van het decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut, dit is krachtens voormeld artikel 2, 2°, van het decreet de akte van beslissing van de onteigenende instantie waarmee ze aangeeft de bestuurlijke fase af te sluiten en de gerechtelijke fase aan te vangen. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Wettelijke bepalingen: Wet 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven - 21-03-1991 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1991021064 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 2, 2° - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 28 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Tekst van de beslissing Nr. C.25.0307.N NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN (NMBS), nv van publiek recht, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Frankrijkstraat 56, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0203.430.576, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen THUISPUNT GENT bv, met zetel te 9000 Gent, Lange Steenstraat 54, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.032.156, eerste verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eerste verweerster woonplaats kiest, STAD GENT, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 9000 Gent, Botermarkt 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.451.227, tweede verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 maart
- De zaak werd bij beschikking van de eerste voorzitter van 2 februari 2026 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 159 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, hierna Wet Economische Overheidsbedrijven, zoals heringevoerd bij koninklijk besluit van 11 december 2013 houdende hervorming van de structuren van de NMBS Holding, Infrabel en de NMBS, mogen de onroerende goederen die eigendom zijn van de NMBS niet worden onteigend. Op voordracht van de minister die bevoegd is voor de overheidsbedrijven, en na advies van de raad van bestuur van de NMBS, dat wordt verleend binnen twee maanden volgend op de ontvangst van het verzoek daartoe, mag de Koning echter de onteigening toestaan van een onroerend goed dat niet langer nuttig zou zijn voor de spoorwegexploitatie. De opbrengst van de vervreemding van elk onroerend goed komt toe aan de NMBS.
- Uit de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van deze wetsbepaling blijkt dat zij ertoe strekt in principe de daadwerkelijke onteigening te verbieden van de onroerende goederen die eigendom zijn van de eiseres, behoudens wanneer de Koning, op voordracht van de minister bevoegd voor de overheidsbedrijven en na advies van de raad van bestuur van de eiseres, uitzonderlijk de onteigening van een onroerend goed toelaat dat niet langer nuttig zou zijn voor de spoorwegexploitatie.
- Hieruit volgt dat de toelating van de Koning als bedoeld in voormeld artikel 159 Wet Economische Overheidsbedrijven uitsluitend moet voorafgaan aan een beslissing tot daadwerkelijke onteigening, zoals het definitief onteigeningsbesluit bedoeld in de artikelen 2, 2°, en 28 van het decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut, dit is krachtens voormeld artikel 2, 2°, van het decreet de akte van beslissing van de onteigenende instantie waarmee ze aangeeft de bestuurlijke fase af te sluiten en de gerechtelijke fase aan te vangen.
- Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat voormelde toelating van de Koning reeds moet voorafgaan aan het voorlopig onteigeningsbesluit bedoeld in de artikelen 2, 7°, en 10 van voormeld decreet van 24 februari 2017, dat nog geen daadwerkelijke onteigeningsbeslissing inhoudt, maar krachtens artikel 2, 7°, van het decreet slechts de beslissing vormt van de onteigenende instantie waarmee ze aangeeft dat ze wil overgaan tot onteigening en de bestuurlijke fase een aanvang neemt, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel dat opkomt tegen de ten overvloede gegeven reden dat het feit dat het dossier al jaren geblokkeerd is noch te wijten is aan de verweersters noch aan de eiseres, kan niet tot cassatie leiden en is derhalve, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 888,60 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div