id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.6 Rolnummer: C.25.0246.N Zaak: M. contra L. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 521 - laatst gezien 2026-06-18 21:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260330.3N.6 Fiches 1 - 2 Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking kan een vermogensverschuiving ongedaan worden gemaakt wanneer voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming iedere rechtsgrond ontbreekt
(1).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 3 februari 2022, AR C.20.0368.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.6, gelijkluidende concl. toenmalig eerste advocaat-generaal Ria MORTIER. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking Fiches 3 - 4 De verrijking is niet ongerechtvaardigd wanneer zij haar oorsprong vindt in een overeenkomst tussen de verarmde en de verrijkte, voor zover uit de strekking ervan de bedoeling van de partijen blijkt om een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand te brengen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking Tekst van de beslissing Nr. C.25.0246.N G.M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- P.L.,
- A.V.H., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 februari 2025, gewezen op verwijzing na arrest van het Hof van 26 mei 2023 (nr. C.22.0190.N). De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 11 februari 2026 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 12 februari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking kan een vermogensverschuiving ongedaan worden gemaakt wanneer voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming iedere rechtsgrond ontbreekt.
- De verrijking is niet ongerechtvaardigd wanneer zij haar oorsprong vindt in een overeenkomst tussen de verarmde en de verrijkte, voor zover uit de strekking ervan de bedoeling van de partijen blijkt om een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand te brengen.
- Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat het volstaat dat de verrijking in uitvoering van een overeenkomst heeft plaatsgevonden, opdat zij juridisch gerechtvaardigd is, zonder dat moet worden onderzocht of de bedoeling hadden om een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand te brengen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - een complexe financiële constructie ontstond waarbij de verweerders hun eigen spaargelden en beleggingen op bankrekeningen plaatsten die op naam stonden van de eiser, maar waarop zij volmacht hadden; - dit volgens de verweerders werd gedaan als vorm van vermogensbeheer, waarbij zij de controle over het geld behielden en het niet de bedoeling was dat deze gelden definitief aan de eiser zouden toekomen; - deze structuur volgens hen ook was opgezet met het oog op een eventuele toekomstige zorgbehoefte; - de verweerders voldoende aannemelijk maken dat zij nooit de wil hebben gehad om een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de eiser tot stand te brengen, zodoende dat deze vermogensverschuiving geen oorzaak heeft; - de eiser betalingen uitvoerde aan de verweerster op de desbetreffende bankrekeningen in de wetenschap dat zij verder vrij kon beschikken over deze gelden; - de verweerders hun volmachten op deze rekeningen gebruikten om te be-schikken over gelden wanneer en in de mate zij dat nodig hadden en de eiser deze bankrekeningen nooit heeft beheerd of het beheer gecontroleerd; - de verweerders in hun conclusies en ter terechtzitting weliswaar hebben erkend dat zij de betwiste financiële constructies hadden opgezet om fiscale en erfrechtelijke redenen, maar zij ook uitdrukkelijk hebben bevestigd dat zij nooit de wil hebben gehad om tijdens hun leven een definitieve vermogensverschuiving tot stand te brengen en dat zij zolang zij leefden altijd over deze financiële middelen wilden blijven beschikken; - zij aldus een complexe bekentenis hebben afgelegd die niet in hun nadeel kan worden gesplitst; - de verweerster deze gelden dus perfect kon terugstorten op haar eigen rekeningen, aangezien zij daarmee niets anders heeft gedaan dan de onrechtmatige verrijking ongedaan te maken.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, hebben de appelrechters de bedoeling van de partijen met betrekking tot de overschrijving van de gelden van de verweerders op de rekening van de eiser wel onderzocht, maar oordelen zij dat niet blijkt dat bij de partijen de wil bestond om een definitieve vermogensverschuiving tot stand te brengen, zodat de overeenkomst niet de oorzaak kon vormen van de verrijking. Het onderdeel berust geheel op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de eiser voor de appelrechters niet heeft aangevoerd dat de verweerders een financiële constructie hebben opgezet met de enkele bedoeling om de belastingen te ontduiken, zodat zij opzettelijk inbreuk hebben gepleegd op de openbare orde.
- Anders dan waarvan het onderdeel geheel uitgaat, hebben de appelrechters niet de plicht om dit feit dat noch door partijen werd aangevoerd tot staving van hun eisen noch impliciet was besloten in het debat tussen partijen, ambtshalve te onderzoeken. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
- De eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat de verweerster op zijn rekeningen waarnaar de verweerders de gelden hadden overgeschreven, een volmacht had die haar toeliet om louter daden van beheer te stellen, zodat de verweerster de gelden niet terug van de rekeningen van de eiser naar haar eigen rekeningen mocht overschrijven, en dat de verweerster bovendien bedrog had gepleegd doordat zij middels een valse handtekening gelden van de rekeningen van de eiser waarop zij geen volmacht had, eerst had laten overschrijven naar een rekening van de eiser waarop zij wel een volmacht had en vervolgens naar haar eigen rekening.
- De appelrechters oordelen dat: - de eiser betalingen uitvoerde aan de verweerster op de desbetreffende bankrekeningen, in de wetenschap dat zij verder vrij kon beschikken over deze gelden; - de verweerders hun volmacht op deze rekeningen gebruikten om te beschikken over gelden wanneer en in de mate zij dat nodig hadden en de eiser deze bankrekeningen nooit heeft beheerd of het beheer gecontroleerd; - de verweerders in hun conclusies en ter terechtzitting weliswaar hebben erkend dat zij de betwiste financiële constructies hadden opgezet om fiscale en erfrechtelijke redenen, maar zij ook uitdrukkelijk hebben bevestigd dat zij nooit de wil hebben gehad om tijdens hun leven een definitieve vermogensverschuiving tot stand te brengen en dat zij zolang zij leefden altijd over deze financiële middelen wilden blijven beschikken; - zij aldus een complexe bekentenis hebben afgelegd die niet in hun nadeel kan worden gesplitst; - de verweerster de gelden perfect kon terugstorten op haar eigen rekeningen en er hierdoor geen sprake is van onrechtmatig handelen of enige contractuele of buitencontractuele fout; - er geen enkel bedrieglijk handelen van de verweerster wordt bewezen.
- Met deze redenen verwerpen en beantwoorden zij het verweer. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1134, 1984, 1988 en 1989 Oud Burgerlijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het verbod van eigenrichting, is het geheel afgeleid uit het tevergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 793,77 euro en 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260330.3N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div