← België

Vrij Onderwijs Regio Aalst contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.7 Rolnummer: C.25.0264.N Zaak: Vrij Onderwijs Regio Aalst contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 441 - laatst gezien 2026-06-18 16:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260330.3N.7 Fiches 1 - 2 Het beroep tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit bij het Marktenhof betreft een beroep tegen een administratieve beslissing; de Gegevenbeschermingsautoriteit moet zich als toezichthoudende autoriteit die de beroepen administratieve beslissing heeft genomen, bijgevolg kunnen verweren tegen een vordering tot vernietiging of hervorming van die beslissing; het bedoelde beroep bij het Marktenhof dient dan ook noodzakelijkerwijze gericht te zijn tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit als verwerende partij

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 4, § 1, eerste lid wet 3 december 2017 voor de wijziging bij wet 25 december 2023. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 51, eerste lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 77 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 78, eerste lid Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 2, 1° - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 4, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 32 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 58, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 51, eerste lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 77 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 78, eerste lid Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 2, 1° - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 4, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 32 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 58, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Fiches 3 - 4 Het vereiste dat het beroep tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit gericht moet zijn tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit als verwerende partij is een ontvankelijkheidsvereiste die moet worden onderscheiden van de loutere kennisgeving van het beroep aan de wederpartijen; een regularisatie buiten de beroepstermijn van een beroep dat niet tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit is gericht, is bijgevolg niet mogelijk; de artikelen 803, tweede lid, 861, tweede lid en 1058 Gerechtelijk Wetboek zijn hierop niet van toepassing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 803, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 861, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1058 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Allerlei Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 803, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 861, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1058 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. C.25.0264.N VRIJ ONDERWIJS REGIO AALST vzw, met zetel te 9300 Aalst, Esplanadeplein 6, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0730.576.977, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  1. P.D., verweerder,
  2. GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, met zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat 35, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0694.679.950, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, sectie Marktenhof, van 15 januari
  3. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 12 februari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 12 februari 2026 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Krachtens artikel 51, lid 1, Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming, hierna AVG) bepaalt elke lidstaat dat één of meer onafhankelijke overheidsinstanties verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de toepassing van deze verordening, teneinde de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens te beschermen en het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie te vergemakkelijken (toezichthoudende autoriteit). Krachtens artikel 77 AVG heeft iedere betrokkene het recht, onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een voorziening in rechte, een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, hij zijn werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens inbreuk maakt op deze verordening, en stelt de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, de klager in kennis van de voortgang en het resultaat van de klacht, alsmede van de mogelijke voorziening in rechte overeenkomstig artikel
  5. Krachtens artikel 78, lid 1, AVG heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, het recht om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen. Dit artikel draagt het opschrift “Recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een toezichthoudende autoriteit”. Krachtens de honderddrieënveertigste overweging van de preambule van de AVG dient een vordering tegen een toezichthoudende autoriteit te worden ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd, en dient deze in overeenstemming te zijn met het procesrecht van die lidstaat.
  6. Krachtens artikel 2, 1°, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit wordt verstaan onder ‘de Gegevensbeschermingsautoriteit’ de toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens. Krachtens artikel 4, § 1, eerste lid, van deze wet, in de versie vóór de wijziging ervan bij wet van 25 december 2023, is de Gegevensbeschermingsautoriteit verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens. Krachtens artikel 32 van deze wet is de geschillenkamer het administratieve geschillenorgaan van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Krachtens artikel 58, eerste lid, van deze wet kan eenieder schriftelijk, gedateerd en ondertekend een klacht of een verzoek indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit.
  7. Krachtens artikel 108, § 1, eerste lid, van deze wet stelt de geschillenkamer de partijen in kennis van haar beslissing en van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof.
  8. Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt dat het beroep tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit bij het Marktenhof een beroep tegen een administratieve beslissing betreft. De Gegevenbeschermingsautoriteit moet zich als toezichthoudende autoriteit die de beroepen administratieve beslissing heeft genomen, bijgevolg kunnen verweren tegen een vordering tot vernietiging of hervorming van die beslissing. Het bedoelde beroep bij het Marktenhof dient dan ook noodzakelijkerwijze gericht te zijn tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit als verwerende partij.
  9. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  10. Krachtens artikel 108, § 1, eerste lid, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit stelt de geschillenkamer de partijen in kennis van haar beslissing en van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof. Bij een beroep in de zin van voormelde bepaling dient de appellant in zijn beroepsakte aan te geven wie zij als partij in het beroep betrekt. Ongeacht de juridische kwalificatie die de appellant de betrokken partij meegeeft, dient hij haar afdoende te identificeren als verwerende partij.
  11. Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - de eiseres in de ‘Akte Hoger Beroep’, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel op 24 juni 2024, verklaarde hoger beroep in te stellen “tegen de beslissing 81/2024 dd. 24/04/2024 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, onafhankelijke openbare instelling (toezichthoudende autoriteit) met rechtspersoonlijkheid, KBO nr 0694.679.950, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat 35”; - de eiseres in diezelfde akte vermeldde dat de bedoelde procedure op eenzijdig verzoekschrift was ingeleid door de eerste verweerder, “voorheen – klager – ”, “hierna – geïntimeerde – ”; - de eiseres in diezelfde akte aan het Marktenhof verzocht om: - “geïntimeerde ter kennis te brengen dat hij/zij op (…) om (…) uur dient te verschijnen voor het Hof van Beroep te Brussel, sectie Marktenhof, (…) kamer, zetelend in haar gewoon lokaal in het gerechtsgebouw te 1000 Brussel, Poelaertplein 1 en dat hij/zij verklaring van verschijning dient te doen, overeenkomstig art. 1061 en 1062 Ger.W.”; - “om de grieven hierboven aangehaald de bestreden beslissing a quo van 24/05/2024 teniet te doen en, opnieuw recht doende: dit hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren”; - “te zeggen voor recht dat appellante geen inbreuk, zelfs geen vermoede inbreuk op voormelde artikels van de AVG noch van de WOG heeft gepleegd, en dat de waarschuwing zonder enige feitelijke of juridische grond werd uitgesproken”; - “te zeggen voor recht dat de eventuele beslissing op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit, ook zonder vermelding van de identificatiegegevens van de partijen dient afgewezen te worden”; - “geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide procedures, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding conform artikel 1022 Ger.W.”.
  12. Hieruit blijkt niet dat het beroep tegen de beslissing 81/2024 van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit mede was gericht tegen de tweede verweerster en evenmin dat zij mede als partij in hoger beroep werd aangewezen. Het enkele gegeven dat het verzoekschrift tot beroep alle nuttige informatie bevat om de tweede verweerster mede als partij te identificeren, is daartoe onvoldoende. Het Marktenhof dat oordeelt dat “de GBA niet in de zaak aanwezig is als een ‘gedaagde in hoger beroep’ in de zin van artikel 1057 Ger.W. noch als een ‘persoon die moet worden opgeroepen’ in de zin van [artikel 1034ter Ger.W.]”, miskent niet de bewijskracht van voormelde ‘Akte Hoger Beroep’ en verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  13. Het vereiste dat het beroep tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit gericht moet zijn tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit als verwerende partij is een ontvankelijkheidsvereiste die moet worden onderscheiden van de loutere kennisgeving van het beroep aan de wederpartijen. Een regularisatie buiten de beroepstermijn van een beroep dat niet tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit is gericht, is bijgevolg niet mogelijk. De artikelen 803, tweede lid, 861, tweede lid en 1058 Gerechtelijk Wetboek zijn hierop niet van toepassing.
  14. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde en vierde onderdeel samen
  15. Het Marktenhof stelt vast dat: - “per beslissing van 24 mei 2024 de Geschillenkamer van de GBA over[gaat] tot het nemen van de beslissing nr. 81/2024 die kadert in een zogenaamde precontentieuze fase d.w.z. de “procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde””; - “ook op 24 mei 2024 de beslissing van de GBA ter kennis [wordt] gebracht van [de eiseres] en [de eerste verweerder]”.
  16. De onderdelen die ervan uitgaan dat uit de vaststellingen van het Marktenhof niet blijkt of en op welk tijdstip de beslissing 81/2024 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit aan de eiseres ter kennis zou zijn gebracht, berusten op een onvolledige lezing van het arrest en missen bijgevolg feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.116,93 euro en 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest, en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260330.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.