id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.1 Rolnummer: P.25.1560.N Zaak: E. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 426 - laatst gezien 2026-06-18 15:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Tekst van de beslissing Nr. P.25.1560.N C. E., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 1. A. V. S., burgerlijke partij, 2. S. V. S., burgerlijke partij, verweerders, beiden met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 oktober 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit in rekening wordt gebracht bij de straftoemeting; het arrest oordeelt verder dat de overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding geeft tot het uitspreken van de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring, het uitspreken van een straf lager dan de wettelijke minimumstraf of het uitspreken van het verval van de strafvordering ingevolge een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn; met de redenen die het bevat, beoordeelt het arrest weliswaar in het licht van de omstandigheden van de zaak waarom geen van die sancties dient te worden toegepast, maar laat het na om het belang van de overschrijding van de redelijke termijn te beoordelen en aan te geven waarom het merkelijk langere tijdsverloop niet dient te leiden tot een van die sancties. 2. Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken. De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn, welke van de in het eerste lid bedoelde gevolgen moet worden uitgesproken.” 3. Die bepalingen beletten de rechter niet om, buiten de gevallen waarin zij voorzien, een straf te kiezen tussen het wettelijk vastgelegde minimum en maximum, op voorwaarde dat hij deze straf op reële en meetbare wijze vermindert ten opzichte van de straf die hij zou hebben opgelegd indien de redelijke termijn niet was overschreden. Wel dient de rechter ook in dat geval zijn beslissing te motiveren in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn. 4. Met de redenen die het arrest (p. 14-17 en 36-38) bevat, vermeldt het de toepasselijke regels in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en oordeelt het, op basis van de feiten die het vaststelt, onder meer als volgt: - de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft in de gegeven omstandigheden te lang geduurd. De uitvoering van de twee deskundigenonderzoeken (respectievelijk 1 jaar en 9 maanden en 1 jaar en 3 maanden) door het college van deskundigen heeft, rekening houdende met de aard van de feiten en de techniciteit van de onderzoeksopdrachten, een te lange periode van stilstand veroorzaakt waarvoor geen redelijke uitleg kan worden gegeven; - de overschrijding van de redelijke termijn heeft niet ertoe geleid dat bewijsmateriaal is verloren gegaan of dat de eiser zou zijn gehinderd in zijn mogelijkheid om tegenspraak te voeren over het bewijsmateriaal; - de overschrijding van de redelijke termijn is in de gegeven specifieke omstandigheden, waarbij rekening wordt gehouden met de aard en de ernst van de ten laste gelegde feiten en de vele onderzoeksdaden die tijdens het gerechtelijk onderzoek zonder opvallende periodes van stilstand werden uitgevoerd, ook niet dermate zwaarwichtig dat het verderzetten van de strafprocedure in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is; - in dit verband dient overigens erop te worden gewezen dat de eiser heeft aangedrongen op de aanstelling van een college van deskundigen en dit college ook het deskundigenverslag van de door de eiser aangestelde deskundige van 31 januari 2025 in zijn bevindingen heeft betrokken; - het hof van beroep is derhalve van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn voldoende kan worden geremedieerd door hiermee rekening te houden op het vlak van de straftoemeting; - het hof van beroep houdt bij de straftoemeting onder meer rekening met de grote ernst van de feiten, de context waarin ze hebben plaatsgevonden, het veroorzaakte leed, de persoonlijke toestand van de eiser en de overschrijding van de redelijke termijn; - gelet op de aard en ernst van de feiten, de impact ervan op het slachtoffer en de samenleving en de overschrijding van de redelijke termijn, is een eenvoudige schuldigverklaring of een straf beneden het wettelijk minimum niet gepast om te remediëren aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn; - het hof van beroep legt wel een straf op die een reële en meetbare vermindering uitmaakt in vergelijking met de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. In dat geval had het hof van beroep een straf van tien jaar opgelegd. 5. Met die redenen oordeelt het arrest zowel op grond van de concrete omstandigheden van de zaak als op grond van het belang van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn dat die overschrijding niet vereist dat de strafvordering niet-ontvankelijk of vervallen wordt verklaard of dat aan de eiser een straf beneden de minimumstraf of de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt opgelegd. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 193,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.