id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.13 Rolnummer: P.25.0879.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 571 - laatst gezien 2026-06-18 17:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFVORDERING STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Tekst van de beslissing Nr. P.25.0879.N 1. P. V., beklaagde, 2. K. V. V., beklaagde, eisers, met als raadslieden mr. Ruben Vispoel en mr. Stijn Van Hulle, beiden advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 mei 2025. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest verklaart de hogere beroepen van de eisers ontvankelijk. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het oordeel dat de misdrijfperiode van de telastlegging A, die oorspronkelijk was omschreven als “in de periode van 18 mei 2014 tot en met 17 mei 2019”, moet worden verbeterd naar “op niet nader te bepalen data in de periode van 18 mei 2014 tot en met 17 mei 2019”, is niet naar recht verantwoord; hierdoor wijzigen de appelrechters de telastlegging van een voortdurend misdrijf naar een reeks van aflopende misdrijven, wat een wijziging van de aard van het misdrijf inhoudt, zonder dat de eisers in de gelegenheid werden gesteld hierover verweer te voeren; aan de eisers werd aldus de mogelijkheid ontnomen om standpunt in te nemen omtrent de aanvang en de berekening van de verjaringstermijn; de voor de eisers meest gunstige aanvangsdatum voor de verjaring, namelijk 18 mei 2014, werd bepaald op vijf jaar vóór de melding van 17 mei 2019 door de verbalisant ruimtelijke ordening en dit louter vanuit de foute veronderstelling dat het om een voortdurend misdrijf ging. 3. De eisers werden onder de telastlegging A gedagvaard voor het onvergund plaatsen van een veranda en achttien steigers “in de periode van 18 mei 2014 tot en met 17 mei 2019”. Het arrest (p. 9, nr. 5) oordeelt hierover dat: - de eisers terecht erop wijzen dat de misdrijven van de telastlegging A aflopend zijn, terwijl de incriminatieperiode suggereert dat het een voortdurend misdrijf betreft; - de incriminatieperiode moet worden verbeterd naar “op niet nader te bepalen data in de periode van 18 mei 2014 tot en met 17 mei 2019”; - in de voor de eisers meest gunstige hypothese de verjaring van de strafvordering voor het onvergund plaatsen van de veranda begon te lopen op 18 mei 2014, zodat de strafvordering, gelet op de stuitingsdaad op 17 mei 2019, nog niet was bereikt op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 9 april 2024 op 28 april 2024 en de verjaringstermijn niet meer loopt vanaf de aanhangigmaking van de strafvordering voor de correctionele rechtbank, in dit geval op 13 april 2023; - ten overvloede vaststaat dat alle tenlastegelegde feiten met hetzelfde opzet zijn gepleegd. 4. Uit de op 6 januari 2025 ingediende appelconclusie van de eisers blijkt dat zij niet alleen aanvoerden dat de in de telastlegging A bedoelde wederrechtelijke oprichting een aflopend misdrijf betreft, maar dat zij hieruit ook afleidden dat de verjaring een aanvang neemt vanaf de voltooiing van de onvergunde werken of handelingen, waarbij zij meer bepaald stelden dat de veranda werd “uitgevoerd in 2014”. Het middel, dat ervan uitgaat dat de eisers geen verweer hebben gevoerd of konden voeren over de kwalificatie van het misdrijf als een aflopend in plaats van een voortdurend misdrijf, over de verbeterde misdrijfperiode van de telastlegging A en over de aanvangsdatum van de verjaring van de strafvordering, mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: door niet concreet na te gaan wanneer het aflopend misdrijf werd gepleegd maar de begindatum van de incriminatieperiode van de aanvankelijk ten onrechte als een voortdurend misdrijf gekwalificeerde telastlegging A, namelijk 18 mei 2014, automatisch gelijk te stellen met de datum waarop de feiten werden gepleegd en de verjaring van de strafvordering een aanvang nam, verantwoorden de appelrechters de schuldigverklaring van de eisers niet naar recht; de begindatum van de aanvankelijke incriminatieperiode werd kunstmatig bepaald op vijf jaar vóór de melding van 17 mei 2019 door de verbalisant ruimtelijke ordening, zodat de appelrechters het vermoeden van onschuld miskennen door ervan uit te gaan dat het misdrijf op die datum zou zijn gepleegd; uit de stukken blijkt immers dat de veranda werd opgericht in het jaar 2014, zonder dat enige concrete datum werd vastgesteld. 6. Het arrest oordeelt niet dat de feiten, voorwerp van de telastlegging A, werden gepleegd op 18 mei 2014. Het oordeelt wel dat de feiten van de telastlegging A, waaronder het onvergund oprichten van de veranda, werden gepleegd op niet nader te bepalen data in de periode van 18 mei 2014 tot en met 17 mei 2019, alsook dat in de voor de eisers meest gunstig hypothese de verjaring van de strafvordering begon te lopen op 18 mei 2014. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 7. In zoverre het onderdeel aanvoert dat uit het strafdossier enkel kan worden afgeleid dat de veranda werd opgericht in de loop van 2014 maar niet op welke concrete datum dit is gebeurd, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het niet ontvankelijk. 8. Het arrest (p. 9-10) oordeelt dat alle tenlastegelegde feiten “met hetzelfde opzet zijn gepleegd, namelijk het opzet om het perceel optimaal te benutten wars van elke regelgeving inzake ruimtelijke ordening” en legt de eisers dienvolgens elk één straf op voor de bewezenverklaarde telastlegging A en voor de in het beroepen vonnis definitief bewezenverklaarde telastlegging B, gekwalificeerd als het zonder vergunning gewoonlijk gebruiken van een grond voor het opslaan van allerlei materialen, gepleegd “in de periode van 18 mei 2014 tot en met 17 mei 2019”. In zoverre het onderdeel die redenen niet in zijn kritiek betrekt, kan het niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet op welke gronden de meest gunstige datum voor de verjaring van de strafvordering wordt aangenomen en betrekt bij die beoordeling ook niet de onderscheiden gewestplanbestemmingen. 10. De rechter die bij de beoordeling van de verjaring van de strafvordering uitgaat van de vroegste datum van de incriminatieperiode als aanvangstijdstip van de verjaring, dit is de voor de beklaagde meest gunstige datum, dient, behoudens wanneer conclusies hierover tot een antwoord nopen, zijn beslissing in dit verband niet nader met redenen te omkleden. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel 11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat uit een proces-verbaal naar aanleiding van een nacontrole op 5 februari 2025 blijkt dat de materialen rond de vijver en de grasmatten verwijderd waren, maar het bevestigt anderzijds de in het beroepen vonnis bevolen herstelmaatregel, die onder meer ook strekt tot het verwijderen van de materialen rond de vijver. 12. De herstelvordering, die geënt moet zijn op de feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezenverklaarde telastlegging, beoogt het herstel van de wettigheid naar de toekomst toe, zodat de rechter de gewijzigde toestand in aanmerking dient te nemen. De rechter oordeelt dan ook tegenstrijdig wanneer hij enerzijds beveelt dat materialen bij wijze van herstel in de oorspronkelijke toestand moeten worden verwijderd, en anderzijds vaststelt dat die materialen reeds werden verwijderd. 13. Het arrest beveelt enerzijds, door de bevestiging van het beroepen vonnis, het herstel in de oorspronkelijke toestand, onder meer door het bevelen van het verwijderen van de materialen rond de vijver, waarbij het oordeelt dat de herstelvordering nog steeds actueel is in al zijn onderdelen. Het oordeelt anderzijds (arrest, p. 12) dat uit het proces-verbaal van de op 5 februari 2025 door de verbalisant ruimtelijke ordening uitgevoerde nacontrole blijkt dat de materialen rond de vijver en de grasmatten verwijderd waren. Op dit punt is de bevolen herstelmaatregel dan ook door tegenstrijdigheid aangetast. Het middel is gegrond. Overige grieven 14. De grieven kunnen niet leiden tot een ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het herstel in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de materialen rond de vijver beveelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot drie vierden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 268,84 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.