id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.16 Rolnummer: P.25.1682.N Zaak: G. contra ALGEMENE ONDERNEMING DRIESEN nv Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 568 - laatst gezien 2026-06-18 17:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Tekst van de beslissing Nr. P.25.1682.N 1. A. G., beklaagde, 2. N. D. S., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. David Dendoncker, advocaat bij de balie Gent, tegen ALGEMENE ONDERNEMING DRIESEN nv, met zetel te 3900 Pelt, Stuifzandstraat 36, ON 0416.178.005, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 november 2025. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest zegt voor recht dat de eisers geen fout hebben begaan, bestaande in het plegen van het als misdrijf omschreven feit van het wetens op 14 november 2019 te eigen bate innen van een bedrag van 72.987,59 euro na een factuur te hebben geëndosseerd (telastlegging B). In zoverre gericht tegen die beslissing, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 202, 203, 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eisers een fout hebben begaan bestaande in het plegen van het feit omschreven als het misdrijf bepaald in de telastlegging A (oplichting); de eerste rechter heeft echter beslist dat het feit omschreven zoals bepaald in de telastlegging A zich vereenzelvigt met het feit omschreven als het misdrijf bepaald in de telastlegging B (na een factuur te hebben geëndosseerd, wetens het bedrag ervan te hebben geïnd te eigen bate) en moet worden heromschreven als dat laatste misdrijf; vervolgens heeft de eerste rechter de eisers vrijgesproken voor het misdrijf omschreven zoals bepaald in de telastlegging B en de erop gesteunde burgerlijke vordering van de verweerster ongegrond verklaard; de verweerster heeft geen grief aangevoerd tegen de vermelde heromschrijving van de telastlegging A en op het enkele hoger beroep van de verweerster kon de appelrechter, bij gebrek aan saisine over de strafvordering, daarover ook geen ambtshalve middel aanvoeren; bijgevolg was de appelrechter niet bevoegd om de als misdrijf omschreven feiten te heromschrijven als het misdrijf bepaald in de telastlegging A en om de beslissing van de eerste rechter op dit punt te hervormen. 3. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Een grief tegen een bepaalde beslissing maakt bij het appelgerecht niet enkel die beslissing aanhangig, maar ook alle onafscheidelijk daarmee verbonden beslissingen. 4. De juiste omschrijving van het feit waarvoor de eerste rechter de beklaagde heeft vrijgesproken is onafscheidelijk verbonden met de grief van de burgerlijke partij tegen de op die vrijspraak gesteunde verwerping van zijn burgerlijke vordering tegen de beklaagde. Aldus behoort in dat geval de juiste misdrijfomschrijving van dit feit tot de saisine van de appelrechter, ongeacht of de burgerlijke partij een afzonderlijke grief aanvoert tegen de door de eerste rechter aangenomen misdrijfomschrijving. Hieruit volgt eveneens dat de omstandigheid dat de appelrechter een bij hem aanhangig gemaakt feit anders omschrijft dan de eerste rechter, niet impliceert dat de appelrechter een ambtshalve grief als bedoeld in artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering opwerpt. 5. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1, 6.3.a en 6.3.b EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de appelrechter die het feit, omschreven als het misdrijf bepaald in de telastlegging B, terug omschrijft als het feit omschreven als het misdrijf bepaald in de telastlegging A en die derhalve de aard van de te beoordelen fout wijzigt, heeft de eisers niet verwittigd van die heromschrijving; de omstandigheid dat die heromschrijving door de verweerster, die daarover geen grief had ontwikkeld, als submiddel in een appelconclusie ter sprake werd gebracht, volstaat niet als verwittiging die de eisers toeliet hun recht van verdediging over de heromschrijving te laten gelden; de eisers hebben dan ook onvoldoende tijd en faciliteiten gekregen om hun verdediging naar behoren voor te bereiden. 7. Wanneer een akte van aanhangigmaking eenzelfde materieel feit vermeldt onder verschillende misdrijfomschrijvingen en de eerste rechter één van die misdrijfomschrijvingen aanneemt en de overige uitsluit, moet de appelrechter die nog te oordelen heeft over de gegrondheid van de burgerlijke vordering, de beklaagde niet ervan verwittigen dat hij bij hem aanhangig gemaakte feit omschrijft als een door de eerste rechter uitgesloten misdrijf. In dat geval heeft de beklaagde immers kennis van alle oorspronkelijke misdrijfomschrijvingen en moet hij bij zijn verdediging rekening ermee houden dat de appelrechter een andere van die misdrijfomschrijvingen aanneemt dan de eerste rechter. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het wettelijk begrip causaal verband: het arrest oordeelt dat de eisers uitsluitend aansprakelijk zijn voor de schade van de verweerster en dat de burgerlijke vordering van de verweerster integraal dient te worden toegekend; het stelt echter ook vast dat de verweerster een fout heeft begaan; wanneer de rechter een pluraliteit van fouten vaststelt, dient hij voor elke individuele fout na te gaan of zonder deze fout de schade zich zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan; wanneer de schadelijder zelf een fout heeft begaan die heeft bijgedragen tot het ontstaan van zijn schade, moet besloten worden tot een verdeling van de aansprakelijkheid; het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers dat de betaling van de facturen door de verweerster een onzorgvuldigheid van harentwege uitmaakte; de toekenning van een integrale schadevergoeding aan de verweerster berust op tegenstrijdige motieven wanneer de appelrechter vaststelt dat er ook een onzorgvuldigheid kan worden verweten aan de benadeelde partij. 9. De rechter moet niet antwoorden op een verweer dat geen impact kan hebben op de uitkomst van de zaak. 10. Er is in de motivering van een rechterlijke beslissing geen tegenstrijdigheid in de zin van artikel 149 Grondwet wanneer de aangevoerde tegenstrijdigheid een toetsing of uitlegging van een wettelijke bepaling vereist. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. Uit de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek volgt dat, wanneer schade wordt veroorzaakt door de samenlopende fouten van een dader en een slachtoffer, de dader in de regel niet kan worden veroordeeld tot de volledige vergoeding van de schade. 13. Het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit staat evenwel eraan in de weg dat bedrog of oneerlijkheid de dader een voordeel verschaft. Het sluit dan ook uit dat de dader van een opzettelijk misdrijf aanspraak kan maken op een verdeling van aansprakelijkheid omwille van een niet-opzettelijke fout van het slachtoffer. 14. Het arrest (p. 14, nr. 6) verklaart het als het misdrijf van oplichting omschreven feit van de telastlegging A bewezen en het oordeelt daarbij onder meer dat de eisers, als verantwoordelijken van G. bv, bedrieglijk een valse hoedanigheid hebben aangenomen om de verweerster ertoe te overtuigen de openstaande facturen aan G. bv te betalen, terwijl deze facturen waren gecedeerd aan Belfius. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing om de eisers te veroordelen tot betaling van de integrale schade van de verweerster. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 15. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eisers een fout hebben begaan in de zin van het feit, omschreven als het misdrijf bepaald in artikel 496 Strafwetboek; het arrest laat na vast te stellen of de eisers zich een zaak hebben toegeëigend die aan een ander toebehoort, namelijk het bijzonder opzet van het misdrijf, nu het niet preciseert aan wie de afgeleverde gelden voortkomend uit de twee nieuwe facturen dan wel zouden hebben toebehoord, zijnde de eisers, de verweerster of Belfius, noch vaststelt dat de gelden niet aan de eisers toebehoorden; het arrest neemt zonder meer aan dat de nieuwe facturen, zijnde de facturen overgemaakt na het protest van de verweerster, eveneens gecedeerde facturen uitmaken; het arrest stelt ten onrechte vast dat het gebruik van een valse hoedanigheid bewezen is, nu het oordeelt dat de fout erin bestaat dat de eisers geloofwaardig maken dat de hernieuwde facturen niet-gecedeerde facturen zijn door deze over te maken zonder cessiesticker én door het toekennen van een commerciële korting, waardoor zij de valse hoedanigheid van schuldeiser zouden aannemen en zich dus voordoen “als de enige echte schuldeiser van de facturen VK20190281 en VK20190285”, terwijl, wanneer de fout wordt gegrond op dergelijke hernieuwde facturen (dit zijn facturen zonder cessiesticker én met commerciële korting door kredietnota’s), er geen sprake meer kan zijn van een valse hoedanigheid van schuldeiser, aangezien de eisers, als effectieve uitgever van de factuur, in dat geval daadwerkelijk de hoedanigheid van schuldeisers zouden verkrijgen, en dit geen bedrieglijk middel kan uitmaken in de zin van artikel 496 Strafwetboek, dat schade kan veroorzaken aan de verweerster, nu dit hoogstens een contractuele tekortkoming met betrekking tot de cessie zou kunnen zijn. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de foutbevinding van het arrest, gesteund op de overweging dat de eisers een bedrieglijk middel zouden hebben aangewend door zich een valse hoedanigheid van schuldeiser toe te eigenen, aangezien de facturen al waren gecedeerd aan Belfius, terwijl in dezelfde zinsnede wordt geoordeeld dat het overmaken van de facturen zonder cessiesticker én het verstrekken van een commerciële korting van 5 procent op de gefactureerde bedragen middels twee kredietnota’s, is innerlijk tegenstrijdig gemotiveerd; een hernieuwde factuur zonder vermelding van een cessiesticker, in combinatie met bijkomende door G. bv uitgegeven kredietnota’s, kan immers bezwaarlijk automatisch het voorwerp van een cessie uitmaken; G. bv beslist namelijk autonoom hoe en welke bedragen zij factureert; zij blijft als schuldeiser te beschouwen van de facturen die zij heeft uitgevaardigd en die niet of nog niet binnen de cessie vallen; minstens kan het arrest uit zijn vaststellingen niet wettig afleiden dat G. bv niet als schuldeiser van de door haar uitgevaardigde facturen te beschouwen was; het arrest kan dan ook niet wettig oordelen dat de nieuwe facturen, met aangepast bedrag, gecedeerde facturen uitmaakten, waardoor evenmin geoordeeld kan worden dat G. bv niet daadwerkelijk (initieel) schuldeiser was van deze facturen, zodat van enige valse hoedanigheid in elk geval geen sprake kan zijn; het arrest gaat bovendien bij de beoordeling van de vraag of de met bedrieglijke middelen aangewende facturen al dan niet gecedeerd waren, niet in op het door de eisers in hun appelconclusie aangevoerde verweer dat uitsluitend met de originele facturen rekening diende te worden gehouden, en de tweede, nieuwe facturen met korting geen gecedeerde facturen uitmaakten, noch stukken van boekhoudkundige waarde, maar louter een administratieve hulp betroffen ten voordele van de verweerster en de toekenning van een commerciële korting hieraan geen enkele afbreuk doet. 16. Er is in de motivering van een rechterlijke beslissing geen tegenstrijdigheid in de zin van artikel 149 Grondwet wanneer de aangevoerde tegenstrijdigheid een toetsing of uitlegging van een wettelijke bepaling vereist. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 17. Het arrest oordeelt in essentie als volgt: - G. bv, waarvan de eisers de verantwoordelijken waren, heeft een factoringovereenkomst gesloten met Belfius; - de eisers hebben twee facturen voor bestelde goederen gestuurd aan de verweerster, met een kopie aan Belfius; - die facturen bevatten een cessiesticker die vermeldde dat uitsluitend bevrijdend kon worden betaald aan Belfius, met enkel het rekeningnummer van Belfius; - de verweerster heeft de facturen geprotesteerd omdat zij niet aan het overeengekomen e-mailadres waren verstuurd; - de eisers hebben dan dezelfde facturen, maar zonder cessiesticker en met vermelding van andere rekeningnummers, overgemaakt op het e-mailadres van een bestuurder van de verweerster, met telkens een creditnota die rechtstreeks van elk factuurbedrag mocht worden afgetrokken in geval van spoedige betaling. Zij hebben geen kopie van die e-mail gestuurd aan Belfius; - de verweerster heeft die factuurbedragen, verminderd met de creditbedragen, betaald aan G. bv, die deze bedragen niet heeft overgemaakt aan Belfius, waarop de verweerster op burgerrechtelijk gebied definitief is veroordeeld tot betaling van de facturen aan Belfius; - het is juist dat de communicatie bij de verweerster beter kon. Het verzenden van dezelfde facturen door G. bv naar verschillende personen bij de verweerster doorkruiste evenwel de gestroomlijnde communicatieweg via een enig e-mailadres naar de dienst boekhouding bij de verweerster; - het aanbrengen van verwijzingen naar aparte financiële rekeningen op de facturen is de uiting van een doelbewuste strategie om, in combinatie met het verstrekken van een commerciële korting, de schijn op te houden dat die facturen niet onder de werking van een factoringovereenkomst ressorteerden en dat G. bv de vorderingen niet had gecedeerd aan Belfius, maar zelf de enige schuldeiser was, met andere woorden dat er mogelijk een retrocessie was gebeurd; - van enige verwarring bij de verweerster, waar de bestuurder op een verkeerd been werd gezet, is handig misbruik gemaakt om betaling te bekomen van facturen die onder een factoringovereenkomst vielen. 18. Op grond van de hiervoor in essentie weergegeven redenen, waarmee het verweer van de eisers wel degelijk wordt beantwoord, kan het arrest wettig oordelen dat er in de onderlinge verhouding tussen G. bv, de verweerster en Belfius steeds sprake is geweest van dezelfde facturen, zij het in opeenvolgend verschillende versies, waarvan Belfius ingevolge de met G. bv gesloten factoringovereenkomst steeds de schuldeiser is gebleven, alsook dat de eisers het tegenover de verweerster bedrieglijk hebben doen uitschijnen dat zijzelf, als verantwoordelijken van G. bv, de schuldeisers waren van die facturen door in de laatste versie ervan de cessie aan Belfius tegenover de bestuurder van de verweerster te verhullen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 103,81 euro, waarvan 68,81 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.