← België

F. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.17 Rolnummer: P.26.0384.N Zaak: F. contra BELGISCHE STAAT, MINISTER ASIEL EN MIGRATIE Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 443 - laatst gezien 2026-06-18 15:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Tekst van de beslissing Nr. P.26.0384.N K. F., vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Maarten De Feyter, advocaat bij de balie Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Lambermontstraat 2, tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 maart 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en artikel 7, vierde lid, Vreemdelingenwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet eisers in appelconclusie gevoerde verweer dat de tweede periode van administratieve vasthouding niet wezenlijk verschilt van de eerste periode; de Dienst Vreemdelingenzaken (hierna DVZ) trachtte de eiser immers reeds uit te wijzen in de periode van mei tot oktober 2024, echter zonder succes wegens gebrek aan medewerking van de Togolese ambassade; de eiser heeft in appelconclusie de vraag gesteld waarom DVZ nu meer succes zou hebben; het arrest gaat hier niet op in en beperkt zich tot een verwijzing naar het ondertussen geslaagde identificatieproces, terwijl hiermee wordt voorbijgegaan aan het feit dat de eiser tijdens de eerste periode van administratieve vasthouding eveneens werd geïdentificeerd door de Togolese ambassade. 2. Het arrest (p. 6, nr. 2) vermeldt dat op 20 januari 2026 het identificatieproces voor de eiser werd besproken in de kantoren van DVZ met de consul en de eerste secretaris van de ambassade en dat op 22 januari 2026 een rappel werd gestuurd aan de ambassade van Togo. Het (p. 9, nr. 4) oordeelt ook dat er nog redenen zijn om aan te nemen dat de eiser binnen een redelijke termijn kan worden gerepatrieerd “aangezien het identificatieproces lopende is”. 3. Waar het middel aanvoert dat het arrest zich beperkt tot een verwijzing naar “het ondertussen geslaagde identificatieproces”, berust het op een onjuiste lezing van het arrest. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 4. Volgens artikel 15.1 van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna Terugkeerrichtlijn), kunnen de lidstaten, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien er risico op onderduiken bestaat of de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering. Volgens artikel 15.4 Terugkeerrichtlijn, is de bewaring niet langer gerechtvaardigd en wordt de betrokkene onmiddellijk vrijgelaten, indien blijkt dat er omwille van juridische of andere overwegingen geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer is, of dat de in artikel 15.1 bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen. 5. Volgens artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet kan, tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de vreemdeling vastgehouden worden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van het op grond van het eerste lid van die bepaling gegeven bevel om het grondgebied binnen een bepaalde termijn te verlaten, meer in het bijzonder wanneer er een risico op onderduiken bestaat of wanneer de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, en zonder dat de duur van de vasthouding twee maanden te boven mag gaan. Volgens artikel 7, vierde lid, Vreemdelingenwet kan de Minister of zijn gemachtigde echter deze opsluiting telkens met een periode van twee maanden verlengen wanneer de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen werden genomen binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de vreemdeling, wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid en wanneer de effectieve verwijdering van deze laatste binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is. Na een verlenging kan deze beslissing volgens artikel 7, vijfde lid, Vreemdelingenwet enkel door de Minister worden genomen. Op grond van artikel 7, zesde lid, Vreemdelingenwet moet de vreemdeling, na vijf maanden te zijn opgesloten, in vrijheid worden gesteld. In de gevallen waarin dit noodzakelijk is voor de bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid, kan de opsluiting van de vreemdeling, na het verstrijken van deze laatste termijn, volgens artikel 7, zevende lid, Vreemdelingenwet, telkens worden verlengd met één maand, zonder dat de totale duur van de opsluiting daardoor evenwel meer dan acht maanden mag bedragen. 6. Uit deze bepalingen volgt dat het onderzoeksgerecht dat belast is met de wettigheidscontrole op de vrijheidsberoving van de vreemdeling, jegens wie een terugkeerprocedure loopt, moet nagaan of er op het ogenblik van deze controle nog een redelijk vooruitzicht is dat de verwijdering tot een goed einde kan worden gebracht. Dit onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of er nog een redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Het arrest (p. 2 t.e.m. 6, nr. 2) geeft een chronologisch overzicht van de verwijderingsprocedure van de eiser vanaf 14 mei 2024. Het (p. 6 t.e.m. 9, nr. 4) oordeelt vervolgens, samengevat, als volgt: - de eiser voert in zijn appelconclusie als enige middel een schending aan van artikel 15 Terugkeerrichtlijn, om reden dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering zou zijn; - de beslissing van 3 februari 2026, genomen op grond van artikel 7, vijfde en zevende lid, Vreemdelingenwet, is een verlenging van eisers opsluiting van 2 september 2025 op grond van artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet; - het hof van beroep stelt vast dat uit voormelde beslissing blijkt dat de verweerder de nodige stappen heeft gezet om de eiser te verwijderen binnen de zeven werkdagen na zijn opsluiting en dat deze inspanningen werden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid, zodat is voldaan aan het voorschrift van artikel 7, vierde lid, Vreemdelingenwet; - de motivering van de beslissing tot verlenging stemt overeen met de feitelijke elementen en stukken opgenomen in het administratief dossier en berust op een grondig onderzoek van de persoonlijke situatie van de eiser; - de ondernomen inspanningen om de eiser te verwijderen werden gedetailleerd omschreven in de beslissing tot verwijderen; - de eerste rechter merkt terecht op dat de Belgische overheid geen controle heeft over het tempo en de diligentie waarmee de Togolese autoriteiten de ontvangen aanvragen om een doorlaatbewijs te verkrijgen, behandelen en beantwoorden; - uit de door de eiser neergelegde stukken blijkt dat er, in tegenstelling tot hetgeen hij opmerkt, geen stilstand is in de procedure tot verwijdering; - er was nog een interview met de eiser op de Togolese ambassade op 19 februari 2026; - uit het neergelegd verslag hiervan blijkt dat de consul het document met de verklaring van vrijwillige terugkeer van de eiser naar de autoriteiten in Lomé zal sturen met het oog op het verkrijgen van een doorgangsbewijs; - er zijn voor het hof van beroep geen elementen aangetoond waaruit blijkt dat de Togolese autoriteiten de aflevering van een doorgangsbewijs zullen weigeren; - op basis van de feiten van opzettelijke slagen en verwondingen waarvoor de eiser werd veroordeeld, kan hij geacht worden een gevaar te betekenen voor de openbare orde en de nationale veiligheid; - er zijn volgens het hof van beroep nog steeds redenen om aan te nemen dat de eiser binnen een redelijke termijn kan worden gerepatrieerd, aangezien het identificatieproces lopende is. 9. Met deze redenen geven de appelrechters te kennen dat er, anders dan tijdens een eerdere poging om de eiser te verwijderen, tijdens de huidige periode van vasthouding een redelijk vooruitzicht is dat de verwijdering tot een goed einde kan worden gebracht en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.