← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.19 Rolnummer: P.25.1609.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 518 - laatst gezien 2026-06-18 17:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. P.25.1609.N I N, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. II A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 oktober 2025. De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. De eiser II heeft een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de door de eiser II ingediende antwoordnoot 1. Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek laat toe dat een eiser in cassatie met een noot antwoordt op de conclusie van het openbaar ministerie. 2. Deze bepaling kan echter niet worden gebruikt om nieuwe middelen aan te voeren, dit wil zeggen middelen die een eiser niet heeft ontwikkeld in zijn bij toepassing van artikel 429 Wetboek van Strafvordering ingediende memorie, maar die hij daarin had kunnen aanvoeren. Anders oordelen zou aan de in artikel 429 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om tijdig cassatiemiddelen aan te voeren, elke zin ontnemen. 3. In zijn antwoordnoot voert de eiser II aan dat de verwijzing door de appelrechters naar de vereiste van een rechtsbedeling binnen een redelijke termijn ter verantwoording van de afwijzing van het verzoek om de voorliggende zaak samen te behandelen met het dossier AN.10.F1.510215/2021, niet wettig is, omdat de appelrechters niet hebben nagegaan of de zaak van de eiser niet diende te worden afgesplitst van die tegen de andere beklaagden en omdat het recht op een berechting binnen een redelijke termijn ondergeschikt zou zijn aan het recht op een behoorlijke en eerlijke rechtspleging. 4. De eiser II heeft in zijn memorie geen cassatiemiddel aangevoerd betreffende het oordeel dat de vereiste van een rechtsbedeling binnen een redelijke termijn de afwijzing van het verzoek om de voorliggende zaak samen te behandelen met het dossier AN.10.F1.510215/2021 verantwoordt. Hij heeft met de beide onderdelen van het eerste middel van zijn memorie uitsluitend het oordeel bekritiseerd betreffende het niet-aanhangig zijn van de andere zaak bij het appelgerecht als grondslag om het verzoek van de eiser II op een gelijktijdige behandeling af te wijzen. Hij kan zijn kritiek op het oordeel betreffende de vereiste van een rechtsbedeling binnen een redelijke termijn als grondslag voor de afwijzing van dit verzoek niet voor het eerst in zijn door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot formuleren. 5. In zoverre de antwoordnoot daarop betrekking heeft, is ze niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II Eerste middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 200, 203 en 227 Wetboek van Strafvordering: met de redenen die het arrest bevat, kan het niet wettig oordelen dat er geen samenhang bestaat tussen het voorliggende dossier en het dossier AN.10.F1.510215/2021; er wordt ten onrechte aangenomen dat het bestaan van samenhang niet kan worden aangenomen omdat de zaak bij het hof van beroep niet aanhangig is gemaakt; uit de vermelde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering volgt immers dat de zaak bij het appelgerecht wordt aanhangig gemaakt met de verklaring van hoger beroep (eerste onderdeel); doordat de weigering om het bestaan van samenhang te onderzoeken geheel of minstens gedeeltelijk steunt op de vaststelling dat het dossier AN.10.F1.510215/2021 nog niet aanhangig was bij het hof van beroep, is de beslissing niet wettig verantwoord; daardoor wordt het recht op een eerlijk proces van de eiser II miskend (tweede onderdeel). 7. Het arrest wijst het op samenhang gebaseerde verzoek van de eiser II om de voorliggende zaak samen te behandelen met het dossier AN.10.F1.510215/2021 ook af op de grond dat de behandeling van de voorliggende zaak geen verder uitstel duldt rekening houdend met de concrete elementen van de gehele rechtspleging ten aanzien van alle beklaagden, zoals onder meer de vereiste van een efficiënte en goede rechtsbedeling binnen een redelijke termijn. Die niet door het middel bekritiseerde reden schraagt de met het middel aangevochten beslissing. Uit het gegeven dat de appelrechters de verwijzing naar de vereiste van een rechtsbedeling binnen een redelijke termijn laten voorafgaan door de woorden “te meer”, kan niet worden afgeleid dat die reden geen zelfstandig dragend motief is. Het middel dat, ook al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering: de wering door het arrest van de voor de eiser II op 29 augustus 2025 neergelegde syntheseappelconclusie is niet naar recht verantwoord; de mogelijkheid voor de rechter om te bepalen dat een navolgende conclusietermijn enkel ertoe strekt te antwoorden op de eventuele conclusie van een tegenpartij, houdt niet in dat de rechter de tweede conclusie van een beklaagde uit het debat kan weren omdat de tegenpartij niet heeft geconcludeerd, indien er ook door andere partijen werd geconcludeerd, zoals de overige beklaagden die wel degelijk een conclusie en stukken hebben neergelegd; het recht op tegenspraak vereist immers dat een procespartij schriftelijk kan repliceren op de argumenten en de bewijsstukken die door een andere partij worden aangebracht en die de beslissing van de rechter kunnen beïnvloeden; een beklaagde moet kunnen repliceren op de argumenten en stukken die door een andere beklaagde worden aangebracht en voorgelegd; wat de ene beklaagde aanvoert, kan immers belastend zijn voor de andere of van aard zijn het verweer van de andere in een slechter daglicht te stellen; het kan omgekeerd ook het verweer van een andere beklaagde versterken; het komt niet aan de rechter toe maar wel aan de beklaagde om te oordelen of een conclusie neergelegd door een andere partij nog een schriftelijk antwoord van zijn kant behoeft; de rechter kan die antwoordmogelijkheid niet beperken; artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering, gelezen in samenhang met artikel 6.1 EVRM, kan niet zo worden uitgelegd dat het de strafrechter toelaat om een tijdig door een beklaagde neergelegde tweede conclusie uit het debat te weren omdat er na de eerste neergelegde conclusie geen conclusie werd neergelegd door het openbaar ministerie, indien er wel conclusies of stukken werden neergelegd door andere beklaagden. 9. Uit artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt weliswaar dat een partij tegenspraak moet kunnen voeren over al wat aan de rechter wordt voorgelegd, maar niet dat elke partij zelf kan bepalen wanneer zij een schriftelijke conclusie zal indienen en dat de rechter die conclusie in aanmerking moet nemen. 10. Deze verdragsbepaling verzet zich niet ertegen dat in het belang van een ordentelijke en tijdige procesvoering de wetgever het nemen van schriftelijke conclusies kan regelen en de rechter vervolgens binnen het wettelijk bepaalde kader dit nader kan invullen. Die regeling mag echter niet van aard zijn om het recht op tegenspraak als onderdeel van het recht op een eerlijk proces in de kern aan te tasten. 11. De wetgever heeft met artikel 152 Wetboek van Strafvordering een regeling uitgewerkt voor het nemen van conclusies voor de gewone vonnisgerechten in strafzaken in het in de eerste paragaaf van die bepaling bedoelde geval. Die regel belet een partij niet om mondeling voor het vonnisgerecht elk gewenst verweer te voeren. 12. Artikel 152, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechter, na de partijen te hebben gehoord, met een beslissing die wordt opgenomen in het proces-verbaal van de rechtszitting, de termijnen vastlegt waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en dat hij de rechtsdag bepaalt. 13. Artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, ambtshalve uit het debat worden geweerd. 14. Artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering voorziet in twee uitzonderingen op de regel van de in artikel 152, § 1, derde lid, in fine, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven ambtshalve wering, namelijk mits het akkoord van de betrokken partijen en bij de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. 15. Uit deze bepalingen, de wetsgeschiedenis en het doel een efficiënter zittingsbeheer en een ordentelijke en tijdige procesvoering te realiseren, volgt dat het de rechter toekomt, mits de partijen te horen, het aantal conclusieronden en het doel ervan te bepalen. 16. Noch uit artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch uit artikel 152, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, volgt dat het de rechter verboden is om aan alle beklaagden een conclusieronde toe te kennen, vervolgens een tweede conclusieronde voor het openbaar ministerie en ten slotte een derde conclusieronde voor de beklaagden die willen antwoorden op de conclusie van het openbaar ministerie, met dien verstande dat indien het openbaar ministerie geen conclusie neemt de beklaagden niet de mogelijkheid hebben om in een derde conclusieronde alsnog een conclusie neer te leggen. 17. De rechter kan voor alle beklaagden een conclusietermijn toekennen, zonder dat hij hen de mogelijkheid moet bieden om op elkaars conclusie te antwoorden. Dat is slechts anders indien de beklaagden tegenstrijdige belangen hebben en zij dit aanvoeren bij het vastleggen van de conclusiekalender op de inleidingszitting. In een dergelijk geval zullen die beklaagden er overigens toe gehouden zijn om hun conclusies ook mee te delen aan de andere beklaagden met tegenstrijdige belangen. 18. Een dergelijke regeling tast het recht op een eerlijk proces van de beklaagden niet in de kern aan. 19. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 20. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 juni 2025 en het arrest (p. 29) blijkt dat de appelrechters, na de partijen te hebben gehoord en met uitdrukkelijk akkoord van de partijen, de volgende conclusietermijnen hebben vastgelegd: uiterlijk op 11 juli 2025 voor alle beklaagden; uiterlijk op 11 augustus 2025 voor het openbaar ministerie; uiterlijk op 29 augustus 2025 voor alle beklaagden. De appelrechters hebben daarbij aan de raadslieden meegedeeld dat de antwoordconclusies enkel dienen om te antwoorden op de conclusies van het openbaar ministerie en geen nieuwe argumenten mogen bevatten. 21. De eiser II heeft bij het bepalen van die conclusiekalender niet aangevoerd dat hij de mogelijkheid diende te hebben om te antwoorden op de conclusies van medebeklaagden. Hij blijkt integendeel akkoord te zijn gegaan met de door de appelrechters uitgewerkte conclusiekalender. Het onderdeel voert overigens ook niet aan dat de belangen van de eiser II en die van één of meer andere beklaagden tegenstrijdig zijn. 22. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 5 september 2025 en het arrest (p. 29-30) blijkt dat het openbaar ministerie de wering heeft gevraagd van alle conclusies ingediend na de conclusietermijn van het openbaar ministerie. Het arrest (p. 29-30) heeft, na te hebben vastgesteld dat het openbaar ministerie in de haar toegekende conclusietermijn geen conclusie heeft neergelegd, het openbaar ministerie de wering vraagt van de op 29 augustus 2025 ingediende appelsyntheseconclusie van de eiser II, er geen akkoord voorligt van alle partijen om deze conclusie niet te weren en er evenmin sprake is van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten zou rechtvaardigen, de op 29 augustus 2025 door de eiser II ingediende syntheseappelconclusie uit het debat geweerd. 23. Door zo te beslissen heeft het arrest noch artikel 6.1 EVRM noch artikel 152 Wetboek van Strafvordering geschonden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.b EVRM: de strafrechter die aan een beklaagde een beperking oplegt erin bestaande dat een navolgende conclusietermijn enkel ertoe strekt te antwoorden op de eventuele conclusie van een tegenpartij, kan slechts tot wering uit het debat van die navolgende conclusie beslissen indien die tegenpartij geen conclusie heeft neergelegd, indien hij vaststelt dat er sprake is van een deloyale proceshouding; het recht op tegenspraak en het recht om te beschikken over de tijd en de faciliteiten die nodig zijn ter voorbereiding van de verdediging, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.b EVRM, laten slechts een inperking toe voor zover dit strikt noodzakelijk is voor de vereisten van een goede rechtsbedeling en zonder afbreuk te doen aan de kern van het recht op tegenspraak; de wering van een navolgende conclusie om de loutere reden dat het openbaar ministerie niet heeft geconcludeerd, zonder dat wordt vastgesteld dat er sprake is van een deloyale proceshouding of een aantasting van het recht van verdediging van het openbaar ministerie of een andere procespartij en dus louter op basis van een strikt formalistisch criterium en zonder enige toetsing in concreto van de gevolgen hiervan voor het proces en de procespartijen, is niet verenigbaar met het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces; de appelrechters hebben niet onderzocht of de neerlegging op 29 augustus 2025 van de syntheseappelconclusie van de eiser II het recht van het openbaar ministerie heeft aangetast of dat er sprake was van een deloyale proceshouding door de eiser. Ondergeschikt wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 152 Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en aldus geïnterpreteerd dat de rechter die aan een beklaagde meerdere conclusietermijnen toekent, kan bepalen dat een navolgende conclusietermijn enkel ertoe strekt te antwoorden op de eventuele conclusie van het openbaar ministerie, en hij in dat geval de tijdens de navolgende conclusietermijn neergelegde conclusie uit het debat kan weren omdat het openbaar ministerie geen conclusie heeft neergelegd, en dit zonder te moeten nagaan of er in hoofde van de beklaagde sprake is van een deloyale proceshouding, de artikelen 10 en 11 Grondwet, nu de wering van een conclusie in civiele zaken in gelijkaardige omstandigheden slechts mogelijk is wanneer de rechter in concreto vaststelt dat er sprake is van een deloyale proceshouding die het recht van verdediging van de tegenpartijen schendt?” 25. Uit de tekst van artikel 152 Wetboek van Strafvordering, de wetsgeschiedenis van die bepaling en het doel een efficiënter zittingsbeheer en een ordentelijke en tijdige procesvoering te realiseren, volgt dat de rechter, behoudens bij de in artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde uitzonderingen, ambtshalve een conclusie die is ingediend buiten de door hem bepaalde conclusiekalender uit het debat moet weren, zonder enige verdere toetsing. De rechter moet dus niet onderzoeken of het indienen van die conclusie buiten de conclusiekalender een goed procesverloop heeft belet, of de rechten van de betrokken partij miskent of dat de indiener van de conclusie een dilatoir oogmerk heeft nagestreefd. 26. Een dergelijke verplichting kan evenmin worden afgeleid uit artikel 6.1 en 6.3.b EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, of uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces. 27. Artikel 747, § 4, Gerechtelijk Wetboek voorziet evenmin in een dergelijke verplichting. 28. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. 29. De voorgestelde prejudiciële vraag, die uitsluitend een verschil in behandeling in straf- en in burgerlijke zaken als miskenning van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat een dergelijke verplichting wel bestaat bij het indienen van conclusies in burgerlijke zaken buiten de door de rechter bepaalde conclusiekalender. Ze wordt bijgevolg niet gesteld. Derde onderdeel 30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 152 Wetboek van Strafvordering: met de overwegingen die het arrest betreffende de wering van de op 8 september 2025 neergelegde conclusie bevat, is die beslissing niet naar recht verantwoord; uit artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering of uit de wetsgeschiedenis van die bepaling volgt niet dat de conclusies die worden neergelegd na de toekenning van nieuwe conclusietermijnen wegens de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit, noodzakelijkerwijze moeten beperkt zijn tot een reactie op dat nieuwe stuk of feit; deze bepaling bevat een dergelijke vereiste niet; in strafzaken is een dergelijke beperking problematisch omdat een nieuw stuk of feit immers van invloed kan zijn op tal van aspecten van de zaak en ook nieuwe argumenten kan opleveren voor de middelen die eerder al werden ontwikkeld; een wering op grond van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering is evenmin mogelijk omdat deze bepaling enkel de ambtshalve wering toelaat van laattijdig neergelegde conclusies. 31. Uit het doel van artikel 152 Wetboek van Strafvordering een efficiënter zittingsbeheer en een ordentelijke en tijdige procesvoering te realiseren en de algemene economie van de regeling, volgt dat: - indien de rechter bij toepassing van artikel 152, § 2, eerste lid, tweede streepje en het tweede lid, Wetboek van Strafvordering een nieuwe conclusietermijn toekent wegens de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit, hij kan bepalen dat die termijn enkel mag worden aangewend om standpunt in te nemen betreffende het nieuw en ter zake dienend stuk of feit en de impact daarvan op de strafvervolging; - op die nieuwe conclusietermijn paragraaf 1 van artikel 152 Wetboek van Strafvordering van toepassing is; - de toekenning op die grond van nieuwe conclusietermijnen de betrokken partij niet het recht geeft om ook te concluderen over andere aspecten van de zaak; - indien de conclusie die een partij indient, nadat zij een nieuwe conclusietermijn heeft gekregen wegens de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit, argumenten bevat die daarmee geen verband houden, die conclusie moet worden beschouwd als een conclusie die is ingediend buiten de door de rechter bepaalde conclusiekalender en derhalve bij toepassing van artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering ambtshalve uit het debat moet worden geweerd. 32. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 33. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 5 september 2025 en het arrest (p. 31-32) blijkt dat: - aan de eiser II bij toepassing van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering een bijkomende conclusietermijn werd toegekend betreffende het door het openbaar ministerie neergelegde arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling; - daartoe een bijkomende rechtsdag werd bepaald, namelijk op 10 september 2025 om 16.00 u en de zaak daartoe in voortzetting werd gesteld voor de eiser II, maar enkel voor dit aspect; - de eiser II in de op 8 september 2025 ingediende syntheseappelconclusie niet enkel standpunt heeft ingenomen betreffende het nieuw en ter zake dienend stuk of feit, maar ook de argumenten heeft hernomen die hij had ontwikkeld in de tweede op 29 augustus 2025 ingediende syntheseappelconclusie. Het arrest dat de op 8 september 2025 ingediende syntheseappelconclusie weert in de mate dat die argumenten bevat die geen betrekking hebben op het nieuw en ter zake dienend stuk of feit, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 34. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 35. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep van de eiser II verkrijgt het arrest wat betreft de beslissing op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep van de eiser II ook is gericht tegen de beslissing waarbij zijn onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 465,91 euro, waarvan op het cassatieberoep I 232,95 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 232,96 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.