← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.21 Rolnummer: P.26.0429.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 517 - laatst gezien 2026-06-18 16:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0429.N M. B., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 maart 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest heft de vijfde aan de eiser opgelegde voorwaarde, te weten het verbod om zich naar het buitenland te begeven zonder voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter, op. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.4 en 13 EVRM, de artikelen 6 en 47 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 35 en 36 Voorlopige Hechteniswet en artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht. 3. Het Handvest Grondrechten EU heeft geen algemene reikwijdte en is overeenkomstig artikel 51, lid 1, maar van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, wat hier niet het geval is. In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 6 en 47 Handvest Grondrechten EU, faalt het naar recht. Eerste en tweede onderdeel 4. Het eerste onderdeel voert aan dat het arrest met het oordeel dat de controle van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding niet tot de saisine van het hof van beroep behoort, de eiser de mogelijkheid ontzegt om de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding te betwisten, met als gevolg dat zijn vrijheid wordt beperkt door de opgelegde voorwaarden; ofschoon de eiser weliswaar niet langer aangehouden is, heeft de oorspronkelijke aanhouding nog steeds verregaande repercussies; bijgevolg moet het bevel tot aanhouding nog steeds worden gecontroleerd; de beschikking van 17 februari 2026 handhaaft het bevel tot aanhouding en oordeelt ook dat er geen onregelmatigheden zijn wat het aanhoudingsmandaat betreft; die beschikking wordt betekend op 18 februari 2026, datum waarop de onderzoeksrechter ook een beschikking neemt tot invrijheidstelling onder voorwaarden, waardoor een hoger beroep tegen de beschikking van 17 februari 2026 zonder voorwerp zou zijn; de eiser legt bijgevolg een verzoek neer tot opheffing van die voorwaarden. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding niet meer kan worden beoordeeld in de procedure tot opheffing of wijziging van de voorwaarden van de invrijheidstelling onder voorwaarden; artikel 37 Voorlopige Hechteniswet bepaalt immers dat dezelfde rechtsmiddelen kunnen worden aangewend in het kader van de artikelen 35 en 36 van die wet als die die kunnen worden aangewend tegen de beslissing inzake voorlopige hechtenis. 5. Krachtens artikel 35, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet kan in de gevallen waarin de voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 16, § 1, bepaalde voorwaarden, de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden. Overeenkomstig artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet kan de inverdenkinggestelde vragen dat de opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden opgeheven of gewijzigd of dat hij wordt vrijgesteld van alle voorwaarden of van sommige daarvan. Overeenkomstig artikel 36, § 1, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet moet de raadkamer hierover uitspraak doen binnen vijf dagen, bij gebreke waarvan de bevolen maatregelen vervallen. Artikel 37, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “De beslissingen genomen ter uitvoering van de artikelen 35 en 36 worden aan de partijen betekend met inachtneming van de vormen bepaald voor de voorlopige hechtenis. Tegen deze beslissingen staan dezelfde rechtsmiddelen open als tegen de beslissingen die inzake voorlopige hechtenis worden genomen.” De inverdenkinggestelde kan bijgevolg tegen de beslissingen die bij toepassing van de artikelen 35 en 36 Voorlopige Hechteniswet worden genomen hoger beroep en vervolgens cassatieberoep instellen, zoals tegen de beslissingen die de voorlopige hechtenis handhaven. 6. Krachtens artikel 21, § 1, Voorlopige Hechteniswet is het door de onderzoeksrechter verleende bevel tot aanhouding geldig voor een termijn van ten hoogste vijf dagen, te rekenen van zijn tenuitvoerlegging en moet de raadkamer vóór het verstrijken van die termijn en onverminderd de bepalingen van artikel 25, § 1, beslissen of de voorlopige hechtenis gehandhaafd moet blijven en over de modaliteit van uitvoering ervan. Artikel 21, § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalt verder: “De raadkamer gaat na of het bevel tot aanhouding regelmatig is ten aanzien van de bepalingen van deze wet. Zij oordeelt bovendien over de noodzakelijkheid van de handhaving van de hechtenis en over de modaliteit van uitvoering ervan, volgens de in artikel 16, § 1, bepaalde criteria.” Overeenkomstig artikel 22 Voorlopige Hechteniswet oordeelt de raadkamer zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde wordt gemaakt en het gerechtelijk onderzoek niet is afgesloten, van maand tot maand of, vanaf de vierde beslissing, om de twee maanden over het handhaven van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering ervan. Wanneer de inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter of het onderzoeksgerecht in vrijheid wordt gesteld onder voorwaarden, komt die beslissing in de plaats van de beslissing van handhaving van de voorlopige hechtenis. 7. Uit de samenhang van die bepalingen volgt dat de raadkamer alleen bij de eerste handhaving van de voorlopige hechtenis de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding beoordeelt en ingeval van hoger beroep tegen die beschikking de kamer van inbeschuldigingstelling. 8. Alleen wanneer de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde in de gevallen waarin voorlopige hechtenis kan worden bevolen onder de in artikel 16, § 1, bepaalde voorwaarden, onmiddellijk onder voorwaarden in vrijheid stelt, hebben de raadkamer, daartoe gevat door de inverdenkinggestelde bij verzoekschrift tot opheffing van die voorwaarden, en in ingeval van hoger beroep tegen die raadkamerbeslissing, de kamer van inbeschuldigingstelling, saisine om te oordelen of de voorlopige hechtenis door de onderzoeksrechter kon worden bevolen onder de in artikel 16, § 1, bepaalde voorwaarden en of de invrijheidstelling onder voorwaarden als dusdanig regelmatig is. 9. Wanneer de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding verleent om vervolgens de inverdenkinggestelde met een daarop volgende beschikking, nadat de raadkamer de voorlopige hechtenis reeds handhaafde, onder voorwaarden in vrijheid te stellen, kunnen de raadkamer, en in ingeval van een hoger beroep tegen die raadkamerbeschikking de kamer van inbeschuldigingstelling, niet meer oordelen over de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding. 10. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de onderzoeksrechter op 13 februari 2026 tegen de eiser een bevel tot aanhouding heeft verleend, de raadkamer bij beschikking van 17 februari 2026 de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding heeft beoordeeld en de voorlopige hechtenis heeft gehandhaafd, de onderzoeksrechter op 18 februari 2026 de eiser onder voorwaarden in vrijheid heeft gesteld, de eiser op 26 februari 2026 een verzoekschrift tot opheffing van die voorwaarden heeft neergelegd en de eiser geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de raadkamerbeschikking van 17 februari 2026. Derhalve is het oordeel van het arrest dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen saisine heeft om de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding te beoordelen naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde onderdeel 12. Het onderdeel voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens artikel 235bis Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding kan beoordelen, omdat het bevel tot aanhouding een onderdeel vormt van de regelmatigheid van de rechtspleging; het arrest bevat geen afdoende motivering om haar saisine op grond van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering om het bevel van aanhouding op zijn regelmatigheid te beoordelen af te wijzen. 13. Artikel 235bis Wetboek van Strafvordering heeft geen betrekking op de regelmatigheid van een bevel tot aanhouding, dat immers overeenkomstig artikel 21, § 4, Voorlopige Hechteniswet op zijn regelmatigheid wordt beoordeeld. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Bij gebreke van een daartoe strekkende conclusie betreffende de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, moet het arrest de beslissing dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen saisine heeft om te oordelen over de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding, niet nader motiveren wat die rechtsgrond betreft. Een dergelijke vordering zou overigens doelloos zijn. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel 15. Het middel voert schending aan van artikel 36 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt door overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie dat de ernstige aanwijzingen van schuld blijken uit de huidige stand van het onderzoek; die redenen vormen evenwel geen motivering aangaande de vaststellingen die de eiser in zijn appelconclusie tot in het detail heeft betwist; het arrest laat na aan te geven welke feitelijke handelingen worden aangenomen als mogelijke strafbare handeling in de zin van enig misdrijf waarvoor de eiser in verdenking wordt gesteld. 16. Artikel 36 Voorlopige Hechteniswet bevat geen bijzondere motiveringsverplichting voor de beslissingen die oordelen over de voorwaarden die in het kader van een invrijheidstelling onder voorwaarden worden opgelegd. 17. Artikel 35, § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat alle beslissingen waarbij aan de verdachte of de beklaagde een of meer voorwaarden worden opgelegd, met redenen moeten omkleed zijn, zoals bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid. Artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “Het bevel tot aanhouding bevat de opgave van het feit waarvoor het wordt verleend, vermeldt de wetsbepaling die bepaalt dat het feit een misdaad of een wanbedrijf is en stelt het bestaan vast van ernstige aanwijzingen van schuld. De rechter vermeldt daarin de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in § 1. Bij ontstentenis van deze mededelingen, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.” 18. Om aan die motiveringsverplichting te voldoen, kan de kamer van inbeschuldigingstelling verwijzen naar de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, waarvan het de redenen overneemt, ook wanneer in een appelconclusie betreffende die vordering verweer wordt gevoerd. 19. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 20. Door overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie en met het daarop gegronde oordeel dat er wel degelijk ernstige aanwijzingen van schuld voorhanden zijn, verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing en beantwoorden en verwerpen zij het door de eiser daarover in een appelconclusie gevoerde verweer, zonder dat zij moeten antwoorden op elke element dat louter ter ondersteuning van dit verweer wordt aangevoerd, maar geen zelfstandig verweer vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 21. Het middel voert schending aan van artikel 36 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt dat het beroepsverbod als voorwaarde moet worden gehandhaafd omdat het noodzakelijk voorkomt om het risico op recidive, onttrekking en collusie te neutraliseren; in zijn appelconclusie heeft de eiser voorgehouden dat er geen volstrekte noodzakelijkheid is en verwijst daarvoor naar de reeds verstreken periode en het stilzitten van enige vervolgende instantie, waarbij er blijkbaar geen problemen rezen met betrekking tot de uitoefening van het beroep; het verstrijken van de tijd alvorens werd gehandeld door de vervolgende of onderzoekende instantie is een cruciaal gegeven, waarop het arrest evenwel niet antwoordt, terwijl elke overweging van het arrest over de noodzakelijkheid kan worden genuanceerd of zelfs genegeerd wegens het verstrijken van meerdere jaren waarin niet werd gehandeld ofschoon de voorgehouden feitelijke elementen gekend waren. 22. Krachtens artikel 35, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt de rechter de op te leggen voorwaarden, die betrekking moeten hebben op één van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, vierde lid, en daaraan aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak. 23. De rechter beoordeelt onaantastbaar de noodzakelijkheid van die voorwaarden. 24. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daardoor niet kunnen worden verantwoord. 25. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 26. In zoverre het middel aanvoert dat de noodzakelijkheid van de betrokken voorwaarden kan worden genuanceerd of zelfs genegeerd wegens het verstrijken van meerdere jaren waarin niet werd gehandeld ofschoon de voorgehouden feitelijke elementen gekend waren, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. 27. Met de redenen dat het aan de eiser opgelegde verbod tot uitoefenen van een taak of functie als bedrijfsrevisor in deze stand van het onderzoek noodzakelijk voorkomt om recidive te voorkomen, gelet op de aard van de feiten, waartoe aanwijzingen voorhanden zijn, dat dit tijdelijk en beperkt geldend verbod niet onevenredig voorkomt nu de misdrijven waartoe aanwijzingen voorhanden zijn, zouden zijn gepleegd in het kader van de beroepsuitoefening, niet strijdig is met het in artikel 23 Grondwet gewaarborgde recht op arbeid en vrije keuze van beroepsarbeid, en dat de verwijzing door de eiser naar de Wet Beroepsuitoefeningsverbod niet pertinent is, verantwoorden de appelrechters de beslissing tot handhaving van die voorwaarde naar recht en beantwoorden en verwerpen zij eisers ter zake gevoerde verweer, zonder dat zij moeten antwoorden op elk argument dat ter ondersteuning van dit verweer wordt aangevoerd, maar geen zelfstandig verweer vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.