← België

P. contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.3 Rolnummer: P.25.1593.N Zaak: P. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 532 - laatst gezien 2026-06-18 17:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Tekst van de beslissing Nr. P.25.1593.N P. P., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. K. T., inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Bram De Man, advocaat bij de balie Antwerpen, 2. F. M. D. S., inverdenkinggestelde, 3. A. K., inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Rudy Van Turnhout, advocaat bij de balie Antwerpen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 november 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiser ten onrechte niet ontvankelijk omdat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij persoonlijke en rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de door hem aangeklaagde misdrijven; de verweerders hebben de door de eiser aangeklaagde misdrijven gepleegd in de uitvoering van hun bestuursmandaat in het autonoom gemeentebedrijf van het lokaal bestuur van Boechout, waarvan de eiser destijds eveneens lid was; de bestuurdersaansprakelijkheid bepaald in artikel 235, § 4, van het Vlaams decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, alsook in artikel 20 van de statuten van het autonoom gemeentebedrijf van het lokaal bestuur van Boechout, vereist dat bestuurders voldoen aan een meldingsplicht als voorwaarde voor de ontheffing van hun bestuursaansprakelijkheid voor fouten waaraan zij geen deel hebben gehad; een gelijkaardig aansprakelijkheidsregime als dat bepaald in artikel 2:56 WVV is van toepassing; geconfronteerd met het feit dat een beslissing van de raad van bestuur waarvan hij deel uitmaakt mogelijks een misdrijf uitmaakt, moet een bestuurder, om zelf geen fout te begaan die tot zijn burgerlijke aansprakelijkheid aanleiding zou kunnen geven, maatregelen nemen die elke redelijke en zorgvuldig handelende bestuurder in dezelfde omstandigheden zou nemen; daartoe kan het indienen van een strafklacht behoren; de eiser heeft zich verplicht gezien om klacht met burgerlijkepartijstelling te doen omdat de gemeenteraad geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van zijn melding, zodat de wederrechtelijke toestand is blijven voortbestaan; het belang van de eiser bij zijn burgerlijkepartijstelling bestaat dan ook in de naleving van zijn subjectief recht om te ontkomen aan het vermoeden van burgerrechtelijke aansprakelijkheid; door te stellen dat de mogelijke aansprakelijkheid van de eiser “louter hypothetisch” is, miskent het arrest de draagwijdte van artikel 18, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, dat toelaat een vordering in te stellen ter voorkoming van de miskenning van een ernstig bedreigd recht, in casu de aansprakelijkheid waaraan de eiser kan worden blootgesteld in zijn hoedanigheid van lid van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf; het arrest oordeelt eveneens ten onrechte dat de plicht van de eiser als bestuurder van het autonoom gemeentebedrijf om misdrijven te melden geenszins impliceert dat hij de strafvordering zelf zou moeten opstarten door het neerleggen van een klacht met burgerlijkepartijstelling; eisers belang om de strafvordering aanhangig te maken hangt immers niet samen met een verplichting zich burgerlijke partij te stellen. 2. De enkele omstandigheid dat degene die klacht met burgerlijkepartijstelling doet, beweert titularis te zijn van een recht dat verband houdt met een misdaad of wanbedrijf waarvoor hij klacht doet, volstaat niet als belangenvereiste om op ontvankelijke wijze de strafvordering aanhangig te maken. Daarvoor is vereist dat de betrokkene op het moment van zijn klacht met burgerlijkepartijstelling het bestaan van dat recht, voor wat hemzelf betreft, aannemelijk maakt, alsook dat hij aannemelijk maakt dat hij als titularis van dat recht schade lijdt door de misdaad of het wanbedrijf waarvoor hij klacht doet. Dat het bestaan van dat recht kan worden betwist ter gelegenheid van de beoordeling van de gegrondheid van de burgerlijke vordering, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. Artikel 235, § 4, van het Vlaams decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur bepaalt: “§ 4. De bestuurders zijn niet persoonlijk gebonden door de verbintenissen van het autonoom gemeentebedrijf. De bestuurders zijn aansprakelijk zonder hoofdelijkheid voor de tekortkomingen bij de normale uitoefening van hun bestuur. Bij overtredingen waaraan ze geen deel hebben gehad, worden de bestuurders van de aansprakelijkheid ontheven als hen geen schuld treft en als ze de overtredingen hebben aangeklaagd bij de gemeenteraad binnen een maand nadat ze er kennis van hebben gekregen.” 4. Eensdeels vereist die bepaling niet dat een bestuurder, om van zijn aansprakelijkheid te worden ontheven, een door een andere bestuurder begane overtreding aanklaagt met een klacht met burgerlijkepartijstelling, maar wel dat hij die overtreding aanklaagt bij de gemeenteraad en dit ongeacht het gevolg dat de gemeenteraad aan die klacht verleent. 5. Anderdeels beschikt degene die een misdrijf aanklaagt waarvan hijzelf niet het slachtoffer is, in de regel niet over het vereiste belang om klacht met burgerlijkepartijstelling te doen. 6. Op grond van de redenen die het bevat, verantwoordt het arrest de beslissing dat de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiser bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is dan ook naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 63 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt eisers bij appelconclusie gevoerde en met stukken onderbouwde verweer dat hij door de aangeklaagde feiten een duidelijke reputatieschade en psychologische schade heeft geleden met de reden dat de door de eiser aangehaalde schade op geen enkele manier “concreet” zou zijn gemaakt, zonder hieromtrent een afdoende motivering te verstrekken; aldus miskent het arrest de bewijskracht van de door de eiser neergelegde stukken en oordeelt het ten onrechte dat eisers reputatieschade niet aannemelijk is. 8. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter een op stukken gebaseerde aanvoering van een partij verwerpt, volgt niet dat hij de bewijskracht van die stukken miskent. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 9. Het arrest oordeelt: “Ook de door [de eiser] aangehaalde reputatieschade dewelke in rechtstreeks verband zou staan met het beweerde strafbare feit, wordt op geen enkele manier concreet gemaakt. Er wordt door [de eiser] niet eens aangegeven op welke manier hij persoonlijk bij het beslissingsproces betrokken zou zijn en op welke manier hij heel specifiek aan de beweerde 'corrupte beslissing' gelinkt zou kunnen worden en er daaruit dan in zijn hoofde rechtstreeks en persoonlijke schade zou ontstaan zijn. Ook wat betreft de door [de eiser] beweerde ontvangen bedreigingen of de beweerde 'stress en angsten' moet opgemerkt worden dat geenszins aannemelijk wordt gemaakt dat deze in rechtstreeks verband met de beweerde strafbare feiten zouden staan.” 10. Met die redenen motiveert het arrest waarom het de aanvoeringen van de eiser verwerpt. Voor het overige moet het arrest niet antwoorden op door de eiser neergelegde stukken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 11. Voor het overige komt het arrest op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van de door de eiser neergelegde geschriften aangezien het aan die geschriften iets onthoudt dat erin wordt vermeld, namelijk dat de eiser medisch niet meer in staat was om een politiek ambt op te nemen, maar wel om zijn andere beroepsactiviteiten te verrichten. 13. Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel geeft het arrest geen uitlegging van de door de eiser neergelegde geschriften, maar leidt het enkel een gevolg eruit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.