id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.4 Rolnummer: P.26.0282.N Zaak: T. contra BELGISCHE STAAT, MINISTER ASIEL EN MIGRATIE Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 489 - laatst gezien 2026-06-18 17:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Tekst van de beslissing Nr. P.26.0282.N M. T., vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Oriane Todts, advocaat bij de balie Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Lambermontstraat 2, tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 februari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 5 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 74/6 Vreemdelingenwet en artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de eerbiediging van de bewijskracht van akten: het arrest herneemt “wat de schending van de openbare orde betreft […] de motivering in de bestreden beslissing, het schrijven van de dienst geschillen van de Algemene Directie Vreemdelingenzaken van 9 februari 2026 en de vordering van het openbaar ministerie”, terwijl, ten eerste, deze motivering door verwijzing niet toelaat te begrijpen in welke mate de nota van de Dienst Vreemdelingenzaken (hierna DVZ) de in appelconclusie voor de eiser - die werd opgesteld na het advies van het openbaar ministerie - aangevoerde argumenten beantwoordt en terwijl, ten tweede, deze motivering door verwijzing geen enkele melding maakt, zelfs niet impliciet, van de door de eiser in appelconclusie als antwoord op de raadkamerbeschikking - die zelf verwijst naar de nota van DVZ - aangevoerde elementen, die ook op de rechtszitting werden gepleit; de motivering door verwijzing laat daarom niet toe te begrijpen hoe het risico voor de openbare orde werd getoetst. 2. Geen enkele wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht het onderzoeksgerecht te vermelden welk verweer door de vreemdeling op de rechtszitting werd gevoerd. 3. Het onderzoeksgerecht dat op grond van artikel 72 Vreemdelingenwet verzocht wordt uitspraak te doen over de wettigheid van een administratieve beslissing van vrijheidsberoving van een vreemdeling, mag zijn beslissing met redenen omkleden door verwijzing naar en overname van de redenen in het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, een nota van de Dienst Vreemdelingenzaken of de raadkamerbeschikking. Met de verwijzing naar de overgenomen redenen neemt het onderzoeksgerecht de pertinentie aan van die redenen voor de beoordeling van het voor haar aangevoerde verweer. Of het onderzoeksgerecht met een verweer heeft rekening gehouden en dit verweer heeft beantwoord, moet in dat geval blijken uit de overgenomen redenen. Uit het feit dat het onderzoeksgerecht een verweer niet overneemt, kan echter niet worden afgeleid dat de rechter dit verweer niet in aanmerking heeft genomen. 4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 5. De eiser heeft in appelconclusie (p. 9) aangevoerd dat de motivering van de beroepen raadkamerbeschikking, die volgens hem de herhaling en het gewelddadige karakter van de feiten benadrukt, maar zijn kwetsbaarheid nergens in aanmerking neemt, onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van een reëel, ernstig en actueel gevaar voor de openbare orde, aangezien daaruit nog steeds niet blijkt welk fundamenteel belang van de samenleving door de weerspannigheid wordt aangetast. 6. Het arrest (p. 3, nr. 3.3) herneemt, wat de aangevoerde schending van de openbare orde betreft, “de motivering in de bestreden beslissing, het schrijven van de dienst geschillen van de Algemene Directie Vreemdelingenzaken van 9 februari 2026 en de vordering van het openbaar ministerie”. Het advies van het openbaar ministerie van 16 februari 2026 vermeldt dat het zich, in verband met de door de eiser opgeworpen middelen, aansluit bij de motivering van de raadkamerbeschikking en bij de inhoud van de nota van DVZ van 9 februari 2026. De beroepen raadkamerbeschikking van 10 februari 2026 (p. 2) oordeelt dat uit de stukken van de eiser blijkt dat hij zich, vaak in dronken toestand, onhandelbaar gedraagt naar het personeel van Fedasil en naar de medebewoners, hij ook tegenover de politie onhandelbaar en agressief bleek en uit verdere info van de politie (gegevens van ANG) blijkt dat hij in 2025 reeds meermaals werd geïntercepteerd voor drugsbezit, weerspannigheid, witwassen, opzettelijke vernielingen en geweld tegen overheidspersonen. Het schrijven van DVZ van 9 februari 2026 (p. 7, nr. 3) vermeldt, samengevat, over het risico voor de openbare orde: - het vermoeden van onschuld heeft betrekking op de bewijslast in het kader van de strafvervolging maar de beslissing tot vasthouding is geen maatregel van strafrechtelijke aard, doch een administratieve rechtshandeling; - het loutere feit dat de eiser zichzelf niet als een gevaar voor de openbare orde beschouwt, doordat hij het door hem gepleegde misdrijf minimaliseert, volstaat uiteraard niet om afbreuk te doen aan de gedegen motieven van de beslissing tot vasthouding; in het administratief verslag vreemdelingencontrole noteert de politie dat de eiser regelmatig problemen creëert door zijn overmatig alcoholgebruik en hij ook onhandelbaar en niet aanspreekbaar was tegenover de politie; - er is geen enkele reden om te twijfelen aan de adequaatheid van de vaststellingen van de politiezone Kempen N-O; - de materialiteit van het strafbaar feit staat los van de eventuele gevolgen die eraan zullen worden verbonden door de bevoegde gerechtelijke instanties; de beoordeling of een bepaalde gedraging de openbare orde schaadt, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de overheid; het gedrag van een vreemdeling is primordiaal om vast te stellen of een vreemdeling een gevaar uitmaakt voor de openbare orde en de wetgever bepaalt nergens dat het gevaar voor de openbare orde enkel kan worden afgeleid uit veroordelingen of inverdenkingstellingen. 7. Met deze overgenomen redenen geven de appelrechters te kennen dat eisers gedrag een reëel, ernstig en actueel gevaar vormt voor de openbare orde, waardoor een fundamenteel belang van de samenleving werd aangetast en beantwoordt en verwerpt het arrest eisers in dat verband in appelconclusie aangevoerde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 74/6 Vreemdelingenwet: het arrest herneemt “wat de schending van de openbare orde betreft […] de motivering in de bestreden beslissing, het schrijven van de dienst geschillen van de Algemene Directie Vreemdelingenzaken van 9 februari 2026 en de vordering van het openbaar ministerie”, terwijl “de beschikking van de raadkamer, waarnaar het arrest verwijst, benadrukt dat de feiten werden gepleegd met gereedschap en dat het flesje een aanzienlijke waarde had” en dit niet aantoont hoe eisers gedrag een reële, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel maatschappelijk belang aantast “en zonder daarbij rekening te houden met zijn psychologische kwetsbaarheid en zijn actieve begeleiding door verslavingsdienst Babel”. 9. Artikel 74/6, § 1, tweede lid, Vreemdelingenwet bepaalt dat geen vreemdeling mag worden vastgehouden om de enkele reden dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Het derde lid bepaalt dat de vreemdeling slechts kan worden vastgehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in het eerste lid genoemde redenen van vasthouding van toepassing zijn. Krachtens het eerste lid, 4°, van die bepaling kan de minister of zijn gemachtigde, wanneer het, op basis van een individuele beoordeling, nodig blijkt en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, een verzoeker om internationale bescherming in een welbepaalde plaats in het Rijk vasthouden wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereisen. 10. Artikel 74/6, § 1, eerste lid, 4°, Vreemdelingenwet is de omzetting, in de Belgische rechtsorde, van artikel 8.3, eerste lid, e), van de Richtlijn 2013/33 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken (hierna Opvangrichtlijn). Bijgevolg moeten de bewoordingen van de voormelde bepaling van Belgisch recht worden uitgelegd in overeenstemming met het Unierecht waarvan zij de uitvoering verzekeren. 11. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 februari 2016 (C-601/15 PPU) wordt het strikte kader voor de bevoegdheid om een verzoeker om internationale bescherming op grond van artikel 8.3, eerste lid, e), Opvangrichtlijn in bewaring te stellen, mede gevormd door de door het Hof in de rechtspraak gegeven uitlegging van de begrippen “nationale veiligheid" en “openbare orde" in andere richtlijnen, die ook geldt voor de Opvangrichtlijn. Het Hof van Justitie concludeert dat een aantasting van de nationale veiligheid of de openbare orde naar de maatstaven van het noodzakelijkheidsvereiste alleen een rechtvaardiging kan vormen voor het in bewaring stellen of houden van een verzoeker om internationale bescherming op grond van die bepaling, wanneer zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving of de interne of externe veiligheid van de betrokken lidstaat aantast. 12. Het onderzoeksgerecht, belast met de controle op de vrijheidsberoving van de vreemdeling, verzoeker om internationale bescherming, oordeelt onaantastbaar of de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 74/6, § 1, eerste lid, 4°, Vreemdelingenwet, zijn vasthouding vereisen en meer bepaald of het persoonlijke gedrag van de verzoeker om internationale bescherming een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving of de interne of externe veiligheid van het land aantast. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 14. Met de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen van het arrest, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Ambtshalve onderzoek 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.