id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.5 Rolnummer: P.25.1387.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 802 - laatst gezien 2026-06-18 15:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: POLITIE Tekst van de beslissing Nr. P.25.1387.N M. V. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Laurens Guinée, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Leuven, van 25 september 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle de Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM, de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 4, 5, 6 en 8 Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van het Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (hierna Richtlijn 2016/680), artikel 22 Grondwet en de artikelen 28, 29, 30, 31 en 33 Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018): het bestreden vonnis stelt vast dat de verbaliserende overheid ANPR-gegevens gebruikte om een snelheidsovertreding vast te stellen, waarbij de nummerplaat werd herkend en vervolgens werd overgegaan tot identificatie van de bestuurder van het voertuig; artikel 62 Wegverkeerswet bevat echter geen formele regeling voor wat betreft het politioneel cameragebruik, en nog minder bevat het regels voor de verwerking van persoonsgegevens door de politiediensten, zoals nochtans wordt vereist door de in het onderdeel aangevoerde bepalingen; de vaststellingen van een verkeersovertreding die zijn gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande, automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, zoals bepaald door artikel 62 Wegverkeerswet, zonder dat deze rechtsnorm de omstandigheden en voorwaarden uitwerkt waarin het gebruik van de camera’s dan wel de gegevensverwerking ervan is toegestaan, noch de essentiële elementen van die verwerking vaststelt, miskent het recht op eerbiediging van het privéleven. Er wordt ondergeschikt gevraagd om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Worden artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet geschonden in zoverre artikel 62 Wegverkeerswet niet uitdrukkelijk de omstandigheden en voorwaarden voorziet waarin het gebruik van camera’s dan wel de gegevensverwerking ervan is toegestaan, noch de essentiële elementen van die verwerking vaststelt?” 2. Op grond van artikel 44/11/3decies, § 3, Wet Politieambt is de verwerking van de in de eerste paragraaf van dat artikel opgesomde persoonsgegevens en informatie, afkomstig van ANPR-camera’s, toegestaan voor gerichte opsporingen in het kader van de opdrachten van bestuurlijke politie of gerechtelijke politie, met inachtneming van de doeleinden bedoeld in artikel 44/11/3septies Wet Politieambt. Eén van de opdrachten van bestuurlijke politie of gerechtelijke politie die het gebruik van een technische gegevensdatabank rechtvaardigen is volgens artikel 44/11/3septies, 1°, b), Wet Politieambt de hulp bij de uitvoering van opdrachten van gerechtelijke politie betreffende de inbreuken betreffende de politie over het wegverkeer, met toepassing van artikel 62 Wegverkeerswet. Hieruit volgt dat niet artikel 62 Wegverkeerswet, maar wel artikel 44/11/3decies, § 1 en § 3, Wet Politieambt, bepaalt welke gegevens en informatie, die op de beelden van ANPR-camera’s verschijnen, de technische gegevensbank bevat, hoelang deze persoonsgegevens en informatie kunnen worden bewaard en de doeleinden en voorwaarden van de verwerking ervan. Het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. 3. De prejudiciële vraag gaat uit van dezelfde onjuiste rechtsopvatting en wordt bijgevolg niet gesteld. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM, de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 4, 5, 6 en 8 Richtlijn 2016/680, artikel 22 Grondwet en de artikelen 28, 29, 30, 31 en 33 Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018: het bestreden vonnis stelt vast dat het aanvankelijke legitieme doeleinde van de gegevensverwerking de snelheidsovertreding betrof; de verbalisant verwerkte deze gegevens daarna echter op eigen houtje voor een geheel ander doeleinde, namelijk een inbreuk op artikel 8.4 Wegverkeersreglement; het bestreden vonnis kan aldus niet wettig oordelen dat deze vaststelling regelmatig gebeurde, minstens laat het na om te onderzoeken of de verwerking van de persoonsgegevens door de verbalisant ten gevolge van een inbreuk op artikel 8.4 Wegverkeersreglement wel behoorde tot het legitieme doel van de gegevensverwerking. 5. Op grond van artikel 44/11/3decies, § 1, 3°, 4° en 5°, Wet Politieambt bevatten de technische gegevensbanken die werden gecreëerd naar aanleiding van het gebruik van intelligente camera's voor de automatische nummerplaatherkenning of van intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning, een foto van de nummerplaat aan de voorkant van het voertuig en in voorkomend geval, aan de achterkant, een foto van het voertuig, en in voorkomend geval, een foto van de bestuurder en van de passagiers, indien zij verschijnen op de beelden van de camera's. Op grond van de artikelen 44/11/3septies, 1°,
- b)en 44/11/3decies, § 3, Wet Politieambt is de verwerking van deze persoonsgegevens en informatie, toegestaan voor gerichte opsporingen in het kader van de opdrachten van bestuurlijke politie of gerechtelijke politie, met het doel om inbreuken betreffende de politie over het wegverkeer, met toepassing van artikel 62 Wegverkeerswet vast te stellen, waaronder snelheidsovertredingen. 6. Geen van deze bepalingen, noch andere bepalingen verzetten zich ertegen dat een verbalisant naar aanleiding van een regelmatige verwerking van foto’s die werden genomen door een ANPR-camera die werd opgesteld met de primaire bedoeling om snelheidsovertredingen vast te stellen, nog andere op deze foto’s zichtbare verkeersinbreuken op regelmatige wijze vaststelt. 7. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Het bestreden vonnis (p. 4-5) stelt vast dat: - de ANPR-gegevens werden gebruikt om de snelheidsovertreding vast te stellen en aan de hand van de foto de nummerplaat werd herkend, waarbij werd overgegaan tot identificatie van de bestuurder als de eiser; - dit een legitiem doel van de ANPR-gegevensdatabank betreft en de grenzen hiervan geenszins werden overschreden; - de foto niet werd gebruikt om de bestuurder te identificeren maar wel de nummerplaat; - de verbalisant aan de hand van de foto zelf vaststelde dat er een inbreuk werd gemaakt op artikel 8.4 Wegverkeersreglement, zodat deze vaststelling correct gebeurde. 9. Met deze redenen is de beslissing van het bestreden vonnis dat de vaststelling van de inbreuk van artikel 8.4 Wegverkeersreglement regelmatig gebeurde naar recht verantwoord. Derde onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM, de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 4, 5, 6 en 8 Richtlijn 2016/680, artikel 22 Grondwet en de artikelen 28, 29, 30, 31 en 33 Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018: het bestreden vonnis stelt vast dat een bepaald gedrag van een bestuurder vanuit ANPR-gegevens wordt verwerkt door een verbalisant en dit gedrag wordt geverbaliseerd; op grond van artikel 44/11/3decies Wet Politieambt kunnen de technische gegevensbanken met gegevens verkregen vanuit intelligente camera’s of systemen echter enkel en alleen worden gebruikt voor nummerplaatherkenning sensu stricto; dit impliceert dat het gedrag van personen op zichzelf niet mag worden verwerkt vanuit dergelijke gegevensbank, laat staan dat dit op enigerlei wijze wordt gelieerd aan een bestuurder; dergelijke verwerking is immers onrechtmatig, strijdig met de finaliteit van de verwerking en staat niet in verhouding tot de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Er wordt ondergeschikt gevraagd om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 44/11/3decies Wet op het politieambt artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet in zoverre deze bepaling toelaat dat gegevens omtrent de bestuurder en/of passagier van een voertuig verwerkt worden voor de doeleinden omschreven in artikel 44/11/3septies Wet op het politieambt en meer bepaald als autonome inbreuk betreffende de politie over het wegverkeer in de zin van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer?” 11. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het tweede onderdeel aangevoerde wetsschendingen en bijgevolg niet ontvankelijk. 12. De prejudiciële vraag gaat uit van een andere rechtsopvatting dan die vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel en wordt bijgevolg niet gesteld. Tweede middel 13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis beantwoordt het in eisers appelconclusie gevoerde verweer over de schending van artikel 8 EVRM niet; het bestreden vonnis gaat op geen enkele wijze in op de opgeworpen onrechtmatigheid van het politioneel cameragebruik en de verwerking van persoonsgegevens in het kader van artikel 62 Wegverkeerswet; het antwoordt ook niet op het verweer in verband met de onrechtmatige verwerking van gedragingen op basis van ANPR-gegevens, terwijl het wel vaststelt dat een verbalisant vaststellingen heeft verricht van het gsm-gebruik aan de hand van de foto; het bestreden vonnis is hierdoor ook niet naar recht verantwoord. 14. Met de in het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel vermelde redenen verwerpt en beantwoordt het bestreden vonnis wel degelijk eisers verweer, laat het hem toe de voornaamste redenen voor de beslissing te begrijpen, zonder dat het dient in te gaan op elk argument dat de eiser heeft aangevoerd tot staving van zijn verweer, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakt en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel 15. Het middel voert schending aan van artikel 62 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis stelt vast dat ANPR-gegevens werden gebruikt om een snelheidsovertreding vast te stellen, waarbij de foto de verbalisant toeliet om een inbreuk vast te stellen op artikel 8.4 Wegverkeersreglement; het oordeelt vervolgens dat deze vaststelling door de politie-inspecteur de visu werd waargenomen zodat er een bijzondere bewijswaarde aan kan worden gehecht; een inbreuk op artikel 8.4 Wegverkeersreglement staat echter niet in de lijst van twaalf overtredingen waarvoor de onbemande automatisch werkende toestellen materiële bewijsmiddelen opleveren met een bijzondere bewijswaarde, zoals vermeld in het koninklijk besluit van 18 december 2002 tot aanwijzing van de overtredingen waarvan de vaststelling gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, bewijskracht heeft zolang het tegendeel niet bewezen is; het enkele feit dat een verbalisant naderhand aan de hand van de foto die wordt aangeleverd door een materieel bewijsmiddel de visu een inbreuk opmerkt op artikel 8.4 Wegverkeersreglement, betreft geen eigen zintuiglijke waarneming van de verbalisant en impliceert geenszins dat deze vaststelling wordt bekleed met een bijzondere bewijswaarde. 16. Het middel komt enkel op tegen de overweging van het bestreden vonnis in verband met de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal, maar betrekt de vaststelling (p. 5) dat de eiser “beide overtredingen” overigens erkende niet in zijn kritiek. Het middel komt derhalve op tegen een overtollige reden, kan niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.