id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.8 Rolnummer: P.26.0028.N Zaak: P. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 506 - laatst gezien 2026-06-18 16:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN ONOPZETTELIJK DODEN Tekst van de beslissing Nr. P.26.0028.N R. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen N. L., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 december 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest acht het bewezen dat de eiser zijn studio heeft verlaten zonder het fornuis met daarop een pan met hete frituurolie uit te schakelen (telastlegging B) en het verklaart hem daarom schuldig aan de telastleggingen A (onopzettelijke doding) en C (onopzettelijke slagen); het verweer van de eiser dat hij de kookplaat manueel had uitgeschakeld en dat die plaat door een defect opnieuw is aangesprongen, beoordeelt het arrest als ongeloofwaardig op grond van het deskundigenverslag; aldus beantwoordt het arrest niet het verweer van de eiser, gesteund op de getuigenverklaring van M., dat hij zeker het vuur heeft afgezet, en motiveert het niet waarom het die getuigenverklaring niet overtuigend vindt; het arrest negeert zelfs dat bewijselement. 2. De omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing niet uitdrukkelijk melding maakt van een door een beklaagde aangevoerd bewijselement à décharge, impliceert niet dat de rechter met dat element geen rekening houdt bij zijn beoordeling. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. De appelrechters oordelen dat zij geen geloof hechten aan de bewering van de eiser dat hij het fornuis heeft uitgeschakeld alvorens zijn studio te verlaten, aangezien het tegendeel de enige plausibele verklaring oplevert voor de oververhitting en uiteindelijk de zelfontbranding van de frituurolie. 4. Het arrest (p. 9-10) oordeelt verder onder meer als volgt: “De stelling van [de eiser] dat de kookplaat gebrekkig kan zijn geweest, hetgeen het hof (van beroep) in die zin begrijpt dat de plaat zou zijn blijven verhitten of opnieuw zou zijn aangesprongen alhoewel ze door [de eiser] manueel was uitgeschakeld, is niet geloofwaardig. De eerste rechters wezen in dit verband al terecht op het verslag van de branddeskundige, die bij een controle van de elektrische voorzieningen ter hoogte van het aanrecht geen afwijkingen vaststelde. Dat de deskundige ingevolge de vernieling door de brand de toestand van het fornuis niet meer zou hebben kunnen onderzoeken, is een loutere bewering die wordt tegengesproken door het deskundigenverslag zelf en die in ieder geval door geen enkel objectief bewijselement wordt ondersteund.” Daarnaast oordeelt het arrest, met redenen die het overneemt van het beroepen vonnis (p. 6), als volgt: “Op basis van de gegevens van het strafdossier en het besluit van de branddeskundige stelt de rechtbank vast dat er geen twijfel over kan bestaan dat de brand in het pand aan de [V.]straat veroorzaakt werd door het oververhitten van de frituurolie. Op basis van de vaststellingen van de branddeskundige is de rechtbank van oordeel dat het ongeloofwaardig is dat de brand het gevolg zou zijn van een defect aan de kookplaat. De branddeskundige heeft een controle uitgevoerd van de elektrische voorzieningen ter hoogte van het aanrecht en kon geen afwijkingen vaststellen. Tevens blijkt uit de eigen verklaringen van [de eiser] aan de branddeskundige dat hij het vuur heeft zien ontstaan en er niet in slaagde het te doven. Hij heeft de deur van zijn studio niet gesloten. Dit stemt overeen met zijn spontaan relaas aan de verbalisanten tijdens de brand, waarbij hij meteen de oorzaak van de brand aanduidt. [De eiser] heeft een grote onvoorzichtigheid begaan door frituurolie te verhitten in een pan en hierna het pand te verlaten zonder na te gaan of de frituurolie voldoende was afgekoeld.” 5. Met die redenen stellen de appelrechters tegenover het verweer van de eiser over de oorzaak van de brand hun met dat verweer strijdige oordeel. Daaruit blijkt dat de appelrechters dat verweer, met inbegrip van de in het kader ervan aangevoerde getuigenverklaring van M., niet geloofwaardig achten in functie van de feitelijke vaststellingen en de bevindingen van de gerechtsdeskundige. Aldus beantwoorden zij het verweer van de eiser, zonder dat zij dat antwoord nog verder moesten toelichten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het deskundigenverslag tegenspreekt dat het niet onmogelijk was dat het fornuis door een technisch gebrek opnieuw zou zijn aangesprongen, alsook dat de gerechtsdeskundige het fornuis niet onderzocht, dan wel niet meer kon onderzoeken; aldus doet het arrest het deskundigenverslag liegen en miskent het bijgevolg de bewijskracht ervan. 7. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel stelt het arrest niet vast dat het deskundigenverslag tegenspreekt dat het niet onmogelijk was dat het fornuis door een technisch gebrek opnieuw zou zijn aangesprongen. Met die redenen stelt het enkel vast dat het deskundigenverslag tegenspreekt dat de deskundige de toestand van het fornuis niet meer zou hebben kunnen onderzoeken als gevolg van de vernieling door de brand. 8. Voor het overige geeft het arrest geen uitlegging van de bewoordingen van het deskundigenverslag, maar leidt het enkel een gevolg eruit af. Aldus kan het arrest de bewijskracht van het deskundigenverslag niet miskennen. 9. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 418 en 419, eerste lid, Strafwetboek en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de feiten onder de telastlegging A door enkel vast te stellen dat de door de eiser veroorzaakte brand de oorzaak was van de schade, zonder na te gaan of de ernstige gebreken inzake brandveiligheid van het gebouw een zelfstandige, tussenkomende oorzaak vormen die van die aard is dat de keten van oorzakelijk verband werd doorbroken; aldus stelt het arrest het vereiste oorzakelijk verband tussen het gebrek aan voorzichtigheid en het overlijden van V. niet wettig vast. 11. Artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht. 12. De rechter kan de beklaagde slechts dan veroordelen voor onopzettelijke doding wanneer hij met zekerheid vaststelt dat zonder het aan de beklaagde ten laste gelegde gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, de dood zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich concreet heeft voorgedaan. Hoewel de rechter onaantastbaar oordeelt over het al dan niet bestaan van het oorzakelijk verband tussen het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en de dood, staat het aan het Hof om na te gaan of hij uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat er al dan niet een dergelijk oorzakelijk verband bestaat. 13. De vaststelling dat de dood van een persoon niet het rechtstreekse gevolg is van het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, volstaat niet om de beklaagde vrij te spreken van onopzettelijke doodslag. Het in de artikelen 418 en 419 Strafwetboek bedoelde misdrijf van onopzettelijk doden is immers bewezen wanneer vaststaat dat, zonder het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, het slachtoffer niet de dood zou hebben gevonden. De omstandigheid dat het overlijden van het slachtoffer het onmiddellijke gevolg is van een gebeurtenis waarbij de beklaagde niet is betrokken en slechts het onrechtstreekse gevolg is van diens gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, impliceert als zodanig niet dat er tussen dit laatste en de dood van het slachtoffer geen zeker oorzakelijk verband zou bestaan en doet dan ook geen afbreuk aan het misdrijf van onopzettelijke doodslag. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Het arrest (p. 8-11) oordeelt onder meer als volgt: - uiteraard is de situatie van een pluraliteit van fouten denkbaar, waarbij een derde persoon een fout beging, onvoorzichtig was of onverantwoorde risico’s nam, zonder dewelke het schadelijk gevolg zich mogelijk anders zou hebben voorgedaan. Zelfs in die hypothese kan de eiser zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet ontlopen als ten aanzien van hem de constitutieve bestanddelen bewezen zijn van 1) een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, 2) de dood van het slachtoffer en 3) een oorzakelijk verband tussen beide; - onopzettelijk doden vereist immers niet dat het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg van de beklaagde de enige oorzaak van het overlijden zou zijn. Zo blijft het misdrijf bestaan als het overlijden mede werd veroorzaakt door de fout van het slachtoffer of door de fout van een derde, zolang deze fout het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg van de beklaagde maar niet uitsluit; - het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg moet met andere woorden een noodzakelijke voorwaarde voor het overlijden zijn geweest; - eisers handelen levert een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg op. Hete frituurolie op een niet-uitgeschakelde kookplaat laten staan en deze vervolgens onbewaakt laten door de studio te verlaten, stemt niet overeen met het gedrag van een normaal zorgvuldig en vooruitziend persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, en vormt een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm; - het handelen van de eiser levert zelfs de schending op van een wettelijk bepaald verbod, nu hiermee terzelfdertijd het bewijs is geleverd van de schuld van de eiser aan het feit omschreven onder de telastlegging B, zijnde een inbreuk op artikel 519 Strafwetboek; - zelfs als de stelling van de eiser klopt dat de brandveiligheid van het gebouw te wensen overliet en dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan op de wijze zoals dat nu is gebeurd als het gebouw wel brandveilig was geweest, doorbreekt dit het oorzakelijk verband tussen de onopzettelijke brandstichting en de schade niet; - er wordt immers niet vereist dat de brand de enige oorzaak van de schade is geweest. Het volstaat dat zij een noodzakelijke voorwaarde voor de schade is geweest. Als de eiser de kookplaat had uitgeschakeld en de hete frituurolie niet onbewaakt had achtergelaten zonder te checken of deze voldoende was afgekoeld, had de brand zich niet voorgedaan en had de schade niet kunnen ontstaan; - dit gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg was een noodzakelijke voorwaarde voor het overlijden van V., zoals dat gevolg zich hier concreet heeft voorgedaan. 15. Op grond van die redenen kan het arrest wettig besluiten tot het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de fout van de eiser en de dood van V. en kan het bijgevolg de eiser wettig schuldig verklaren aan het misdrijf van het onopzettelijk veroorzaken van de dood van V. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig op basis van de loutere aanname dat hij extra voorzichtig diende te zijn omdat hij van de gebrekkige brandveiligheid van het gebouw op de hoogte was; het steunt hiervoor enkel op het verhoor van de eiser; aldus miskent het arrest het vermoeden van onschuld. 17. Het middel is gericht tegen een overtollige reden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260331.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.