id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.5 Rolnummer: F.24.0080.N Zaak: LVS CONSULTING BELGIE bv contra BS FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 613 - laatst gezien 2026-06-18 16:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260402.1N.5 Fiche 1 Enkel een realistische vooropgestelde einddatum kan in aanmerking worden genomen voor de toekenning van de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing; een aanmelding die geen einddatum vermeldt of die geen realistische einddatum vermeldt, voldoet bijgevolg niet aan de wettelijke voorwaarde van artikel 275³, § 3, vierde lid, WIB92, zodat de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing in voorkomend geval geen rechtmatige aanspraak kan maken op de vrijstelling van de doorstortingsverplichting
(3), § 3, vierde lid Fiche 2 De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid in; deze beginselen gelden ook ten aanzien van het fiscaal bestuur; het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid; daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Tekst van de beslissing Nr. F.24.0080.N LVS CONSULTING BELGIE bv, met zetel te 3665 As, Dorpsstraat 62 bus 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0468.879.489, eiseres, met als raadsman mr. Jan De Greef, advocaat aan de balie te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Entrepotkaai 4 bus 2.1, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal, directeur van het KMO-Centrum Hasselt Expertise 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 maart
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 3 maart 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 275³, § 1, eerste lid, WIB92 worden de universiteiten en hogescholen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistent-onderzoekers en het “Federaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek – Fonds fédéral de la Recherche scientifique – FFWO/FFRS”, het “Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen – FWO”, het “Fonds de la Recherche scientifique – FNRS – FRS-FNRS” die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan postdoctorale onderzoekers en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen verschuldigd zijn, vrijgesteld van het storten aan de Schatkist, van 80 pct. van die bedrijfsvoorheffing, op voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100 pct. van die bedrijfsvoorheffing inhouden. De in dit lid bedoelde instellingen wenden de sommen die zij krachtens dit artikel niet moeten doorstorten, niet aan ter financiering van het onderzoek dat de vrijstelling van de doorstortingsverplichting heeft doen ontstaan. Krachtens artikel 275³, § 1, tweede lid, WIB92 wordt eenzelfde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing ten belope van 80 pct. van die bedrijfsvoorheffing ook toegekend aan de wetenschappelijke instellingen die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistent-onderzoekers of aan postdoctorale onderzoekers. De in dit lid bedoelde instellingen wenden de sommen die zij krachtens dit artikel niet moeten doorstorten, niet aan ter financiering van het onderzoek dat de vrijstelling van de doorstortingsverplichting heeft doen ontstaan. Krachtens artikel 275³, § 1, derde lid, 3°, WIB92 wordt dezelfde vrijstelling van storting als in het tweede lid ook toegekend aan ondernemingen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma’s en die een in § 2, 1° of 2°, bedoeld diploma hebben.
- Overeenkomstig artikel 275³, § 3, vierde lid, WIB92 komen de projecten of programma’s enkel in aanmerking wanneer ze zijn aangemeld bij de Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid, hierna Belspo, met opgave van: 1° de identificatie van de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing; 2° de beschrijving van het project of programma waarbij wordt aangetoond dat het fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling tot doel heeft; 3° de verwachte aanvangsdatum en de vooropgestelde einddatum van het project of programma.
- Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, blijkt dat de invoering van de voorafgaande aanmelding van het project of programma bij Belspo werd verantwoord doordat de wetgever de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing inzake wetenschappelijk onderzoek, die plaatsvindt aan de bron, beter wou controleren om mogelijke misbruiken uit te sluiten. In het licht van deze doelstelling van de wetgever kan enkel een realistische vooropgestelde einddatum in aanmerking worden genomen voor de toekenning van de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. Een aanmelding die geen einddatum vermeldt of die geen realistische einddatum vermeldt, voldoet bijgevolg niet aan de wettelijke voorwaarde van artikel 275³, § 3, vierde lid, WIB92, zodat de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing in voorkomend geval geen rechtmatige aanspraak kan maken op de vrijstelling van de doorstortingsverplichting.
- De appelrechters stellen vast dat “[de eiseres] op 13 april 2016 een aanmelding bij Belspo [indiende] waarbij ze als einddatum 1 januari 2099 vermeldde”.
- De appelrechters die oordelen dat “de aanmelding zoals gedaan op 13 april 2016 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 275³ § 3 WIB 92” aangezien “de opgave van 1 januari 2099 als einddatum niet als ernstig [kan] beschouwd worden, vooral nu bij de personen, gelinkt aan het project evenmin wordt vermeld vanaf wanneer en tot wanneer zij zich met dit project hebben beziggehouden/zullen bezighouden”, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid in. Deze beginselen gelden ook ten aanzien van het fiscaal bestuur. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd.
- De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bij een belastingplichtige een redelijk vertrouwen is gewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Het Hof gaat niettemin na of de rechter het begrip redelijk vertrouwen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - met betrekking tot de aanslagjaren 2012, 2013 en 2014 er nog geen sprake was van enige aanmeldingsverplichting in hoofde van de eiseres, “zodat er terzake geen sprake kan zijn van gerechtvaardigde verwachtingen met betrekking tot de tijdigheid en de volledigheid van de aanmelding met inbegrip van de einddatum”; - met betrekking tot het aanslagjaar 2015 uit de administratieve beslissing van 29 september 2017, die zeer summier werd gemotiveerd, niet blijkt dat de admi-nistratie de vooropgestelde einddatum “concreet onderzocht heeft en weloverwogen en doordacht heeft geoordeeld dat de vooropgestelde einddatum van 1 januari 2099 voldeed aan de voorwaarden van artikel 275³ § 3 WIB 92”; - “het verzoek tot regularisatie d.d. 31 maart 2017 met betrekking tot de eerdere aanslagjaren van 2012 tot en met 2015 niet [werd] voorgelegd zodat het hof niet kan nagaan wat er precies aan de administratie werd meegedeeld en wat werd gevraagd in het kader van het verzoek tot regularisatie”.
- Op deze grond konden de appelrechters zonder miskenning van het begrip redelijk vertrouwen oordelen dat aan de zijde van de eiseres geen sprake kon zijn van gerechtvaardigde verwachtingen om ook voor de aanslagjaren 2016 en 2017 aanspraak te kunnen maken op de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel een motiveringsgebrek aanvoert, zonder de geschonden wetsbepaling zoals vereist bij artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek aan te duiden, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters nalaten stukken op te vragen of het debat te heropenen, laat het na aan te duiden welke wetsbepaling het arrest schendt en is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 592,32 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 2 april 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260402.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div