id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.6 Rolnummer: F.24.0100.N Zaak: VLAAMSE GEWEST contra W. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 516 - laatst gezien 2026-06-18 16:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260402.1N.6 Fiche Uit de wetsgeschiedenis van het decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dat artikel 3.6.0.0.1 VCF invoerde, blijkt dat deze bepaling geïnspireerd was op artikel 376 WIB92 zodat de tekst van deze wetsbepaling ‘grotendeels' kon worden overgenomen; dit neemt niet weg dat aan de begrippen in artikel 3.6.0.0.1 VCF een andere invulling wordt gegeven dan aan de begrippen van artikel 376 WIB92; en dat artikel 3.6.0.0.1 VCF voldoende ruim is geformuleerd om een verkeerde toepassing van de wet te omvatten, of het vaststellen van wegens gemis aan bewijzen verworpen schulden
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 3.6.0.0.1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de beslissing Nr. F.24.0100.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van begroting en financiën, Vlaamse rand, onroerend erfgoed en dierenwelzijn, met kabinet te 1000 Brussel, Koolstraat 35, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen B. W., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 juni
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 3 maart 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Overeenkomstig het toepasselijke artikel 3.6.0.0.1, eerste lid, VCF verleent het bevoegde personeelslid ambtshalve ontheffing van de overmatige belastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsook van die welke blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen. Uit de wetsgeschiedenis van het decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dat artikel 3.6.0.0.1 VCF invoerde, blijkt dat deze bepaling geïnspireerd was op artikel 376 WIB92 zodat de tekst van deze wetsbepaling ‘grotendeels’ kon worden overgenomen.
- Artikel 227 van het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wijzigde artikel 3.6.0.0.4 VCF. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat, hoewel de bestaande teruggavemogelijkheden voorzien bij artikel 134 van het wetboek der successierechten niet expliciet in de VCF worden opgenomen, het geenszins de bedoeling is om deze teruggavemogelijkheden op te heffen en dat het bestaande artikel 3.6.0.0.1, dat de ambtshalve ontheffing van belastingen regelt voldoende ruim is geformuleerd om beide situaties op te vangen, met name de verkeerde toepassing van de wet, of het vaststellen van wegens gemis aan bewijzen verworpen schulden.
- Hieruit blijkt dat een ambtshalve ontheffing op grond van artikel 3.6.0.0.1 VCF ook kan worden verleend bij een onjuiste toepassing van de wet.
- Het middel dat ervan uitgaat dat de onjuiste toepassing van de wet geen aanleiding kan geven tot een ambtshalve ontheffing van onregelmatig geheven rechten op grond van artikel 3.6.0.0.1 VCF, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 692,06 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 2 april 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260402.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div