← België

E. in de zaak PROCUREUR DES KONINGS ANTWERPEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.10 Rolnummer: P.26.0362.N Zaak: E. in de zaak PROCUREUR DES KONINGS ANTWERPEN Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 368 - laatst gezien 2026-06-18 06:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de wetsgeschiedenis en de doelstelling van artikel 838, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek om misbruiken en hinderlijke manoeuvres te vermijden, volgt dat met het begrip kennelijk ongegrond wrakingsverzoek in de zin van die bepaling een wrakingsverzoek wordt bedoeld waarvan elk redelijk, normaal en voorzichtig verzoeker weet of moet weten dat het onmogelijk kan slagen en dat bijgevolg de verzoeker daarmee de wrakingsprocedure van haar doel afwendt. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 838, derde en vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 838, derde en vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0362.N N. E.H., verzoeker tot wraking, beklaagde, aangehouden, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie Gent, IN DE ZAAK VAN DE PROCUREUR DES KONINGS TE ANTWERPEN, afdeling Antwerpen, tegen N. E.H., reeds vermeld, beklaagde, aangehouden. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij arrest van 24 maart 2026 heeft het Hof het door de verzoeker ingediende verzoekschrift strekkende tot wraking van D. D., kamervoorzitter in het hof van beroep te Antwerpen (hierna de kamervoorzitter) in zaak 2026/AR/269 (hierna het voorliggend wrakingsverzoek) verworpen. Met dit arrest heeft het Hof bij toepassing van artikel 838, derde lid, Gerechtelijk Wetboek een rechtsdag bepaald waarop het desgevallend verantwoord kunnen zijn van een geldboete zou worden behandeld. Van dit arrest en de daarin bepaalde datum en de mogelijkheid om schriftelijk opmerkingen te maken, werd kennis gegeven aan de verzoeker en aan zijn raadsman. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Voor de verzoeker werden geen schriftelijke opmerkingen ingediend. De zaak werd behandeld op de rechtszitting van 14 april 2026. De verzoeker noch zijn raadsman zijn verschenen. Advocaat-generaal Bart De Smet werd gehoord. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 838, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien een geldboete wegens een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek verantwoord kan zijn, de beslissing waarbij het wrakingsverzoek wordt verworpen een rechtsdag bepaalt waarop alleen dit punt wordt behandeld, de griffier de partijen oproept per gerechtsbrief om tegen die datum hun opmerkingen schriftelijk mee te delen en die geldboete 15,00 tot 2.500,00 euro bedraagt. 2. Uit de wetsgeschiedenis en de doelstelling van deze bepaling om misbruiken en hinderlijke manoeuvres te vermijden, volgt dat met het begrip kennelijk ongegrond wrakingsverzoek in de zin van die bepaling een wrakingsverzoek wordt bedoeld waarvan elk redelijk, normaal en voorzichtig verzoeker weet of moet weten dat het onmogelijk kan slagen en dat bijgevolg de verzoeker daarmee de wrakingsprocedure van haar doel afwendt. 3. Uit het arrest van 24 maart 2026 blijkt dat: - het wrakingsverzoek was gericht tegen een van de magistraten van een kamer van het hof van beroep die diende te oordelen over een wraking die de verzoeker had ingediend tegen een rechter van een kamer van de correctionele rechtbank waar een tegen de verzoeker ingestelde strafvordering hangende was; - de verzoeker in essentie aanvoert dat door niet in te gaan op een verzoek van de verzoeker om de behandeling van het wrakingsverzoek door het hof van beroep uit te stellen, de kamervoorzitter blijk heeft gegeven van gewettigde verdenking; - volgens de verzoeker er een objectieve reden van verhindering bestond, namelijk een vooraf vastgestelde afspraak in het buitenland die verband hield met een belangrijke familiale aangelegenheid, het verzoek tijdig aan het hof van beroep was ter kennis gebracht, een kort uitstel volstond en het hof van beroep wist dat enkel de betrokken raadsman optrad en dat de verzoeker ook uitdrukkelijk wenste dat die raadsman optrad. 4. Uit de in het arrest van 24 maart 2026 vermelde omstandigheden blijkt dat de verzoeker wist of had moeten weten dat de hem overeenkomstig artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek aangevoerde wrakingsgrond onmogelijk kon slagen en dat de verzoeker de wrakingsprocedure bijgevolg van haar doel heeft afgewend. Immers: - het recht op vrije keuze van een raadsman en het recht zich door die raadsman te laten vertegenwoordigen hebben geen absoluut karakter. Uit die rechten kan niet worden afgeleid dat een verzoeker die aanvoert dat zijn raadsman niet beschikbaar is op de vooraf bepaalde rechtszitting wegens een ernstige familiale verplichting, zonder meer recht heeft op een uitstel van behandeling van de zaak; - een behoorlijke rechtsbedeling is onmogelijk indien het tijdstip van de behandeling van een zaak louter afhankelijk is van de beschikbaarheid van de raadsman van een partij; - een wrakingsprocedure is uit haar aard spoedeisend. Dit blijkt uit de korte termijnen waarin wordt voorzien voor het indienen van het wrakingsverzoek (artikel 833 Gerechtelijk Wetboek), de termijn voor de overhandiging van het wrakingsverzoek (artikel 836, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek), de termijn voor de rechter om een verklaring op te stellen (artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek), de termijn om de zaak over te zenden (artikel 838, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek) en de termijn om uitspraak te doen (artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek), alsook uit het in beginsel schorsend effect van het meedelen van het wrakingsverzoek aan de rechter (artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek). Een wrakingsverzoek heeft bovendien in beginsel een stremmend effect op de procedure waarin ze wordt ingediend; - bijzonder in deze zaak is dat het wrakingsverzoek door de verzoeker werd ingediend in het kader van een wrakingsprocedure, zodat zowel de wrakingsprocedure zelf als de strafprocedure waarin het initiële wrakingsverzoek werd ingediend, werden gestremd; - de verzoeker wist of minstens kon weten dat de behandeling van zijn wrakingsverzoek snel zou worden vastgesteld; - de verzoeker werd in de strafprocedure waarin het initiële wrakingsverzoek werd ingediend niet enkel bijgestaan door de raadsman die het voorliggend wrakingsverzoek heeft ondertekend, maar ook door een tweede raadsman; - de verzoeker heeft bij het verzoek om uitstel als reden enkel een reeds lang ingeplande familiale aangelegenheid in het buitenland opgegeven zonder nadere specificering en zonder ter zake enig stavend stuk in dat verband over te leggen. 5. Het wrakingsverzoek van de verzoeker is in die omstandigheden kennelijk ongegrond in de zin van artikel 838, derde lid, Gerechtelijk Wetboek. 6. Gelet op de hierboven vermelde feitelijke omstandigheden, waaruit onmiskenbaar blijkt dat de wrakingsprocedure van haar doel werd afgewend en de goede rechtsbedeling werd geschaad, dient de verzoeker te worden veroordeeld tot de maximale geldboete van 2.500,00 euro. Dictum Het Hof, Veroordeelt de verzoeker bij toepassing van artikel 838, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek tot een geldboete van 2.500,00 euro. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Zegt dat de griffier bij toepassing van artikel 838, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek dit arrest ter kennis zal brengen van de partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.10 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.