← België

K. contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.15 Rolnummer: P.26.0165.N Zaak: K. contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 355 - laatst gezien 2026-06-18 20:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Een cassatiemiddel dat de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet omdat de rechter niet zou hebben geantwoord op een regelmatig ingediende conclusie moet op straffe van niet-ontvankelijkheid van het middel verduidelijken op welk verweer de rechter niet heeft geantwoord; het middel dat niet voldoet aan die preciseringsverplichting, is niet ontvankelijk

(1).
(1)Cass. 9 april 2025, AR P.25.0008.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.3, RDPC 2026, 326; Cass. 24 mei 2023, AR P.21.1042.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230524.2F.
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Onduidelijk middel Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0165.N I A. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Katrien Van Der Straeten, advocaat bij de balie Dendermonde, II GREENVAL INSURANCES COMPANY nv, met zetel te 2nd Floor, the Anchorage 17-19, Sir John Rogersons Square, Dublin 2 (Ierland), ON IE9651932N, die woonplaats kiest te 9030 Gent (Mariakerke), Mispelbilk 10, tussenkomende partij, eiseres, met als raadsman mr. Koenraad Stubbe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, beide cassatieberoepen tegen
  2. S. A., in zijn hoedanigheid van ouder van K. A.,
  3. T. K., in eigen naam en in haar hoedanigheid van ouder van K. A.,
  4. T. K., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 7 januari
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres voert geen middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  6. Door bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt het bestreden vonnis de eiser tot betaling van provisies aan de verweerders, met telkens aanstelling van een deskundige. Het bestreden vonnis verzendt de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling van de burgerlijke vorderingen.
  7. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin beslissingen die, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, vallen onder een van de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep I wegens voorbarigheid niet ontvankelijk.
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan hun tegenpartijen, hoewel zij daartoe volgens artikel 427 Wetboek van Strafvordering verplicht zijn. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid voor wat betreft de vorderingen van de verweerders tegen de eiser en wat betreft de beslissingen over de vorderingen van de verweerders tegen de eiseres, zijn de cassatieberoepen I en II niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: uit het bestreden vonnis blijkt niet dat het appelgerecht rekening heeft gehouden met de syntheseappelconclusie van de eiser I; de motivering van het bestreden vonnis laat de eiser niet toe na te gaan of zijn argumenten in overweging werden genomen.
  10. Een cassatiemiddel dat de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet omdat de rechter niet zou hebben geantwoord op een regelmatig ingediende conclusie moet op straffe van niet-ontvankelijkheid van het middel verduidelijken op welk verweer de rechter niet heeft geantwoord. Het middel dat niet voldoet aan die preciseringsverplichting, is niet ontvankelijk. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR: uit de bewoordingen van het door de appelrechters opgegeven feitenrelaas blijkt dat de rechtbank ab initio ervan uitging dat de eiser schuldig was; er werd onmiddellijk aangenomen dat het leasevoertuig van de moeder van de eiser betrokken was, wat in pleidooien en conclusies ten stelligste werd betwist; de vooringenomenheid van de rechtbank schendt de vermelde verdragsbepalingen.
  12. Met de door het middel bekritiseerde overweging (p. 14, randnr. 3.3, tweede alinea) vermeldt het bestreden vonnis onder de rubriek
  13. Uiteenzetting van de relevante feiten, de feitelijke gegevens zoals die volgens de appelrechters blijken uit het strafdossier. Zij vermelden in dezelfde rubriek ook wat de eiser omtrent de feiten heeft verklaard en vermelden daaropvolgend onder de rubriek
  14. Beoordeling ten gronde op strafgebied samengevat de door de eiser gevoerde betwisting betreffende zijn schuld. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de appelrechters ab initio zijn uitgegaan van de schuld van de eiser en dat zij vooringenomen waren. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 168,71 euro, waarvan op het cassatieberoep I 86,10 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 47,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230524.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.