← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.18 Rolnummer: P.26.0449.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 343 - laatst gezien 2026-06-18 06:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 35, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat in de gevallen waarin de voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet bepaalde voorwaarden, de betrokkene in vrijheid kan worden gelaten onder oplegging van een of meer voorwaarden; volgens artikel 35, § 2, Voorlopige Hechteniswet moeten de beslissingen waarbij voorwaarden worden opgelegd met redenen omkleed zijn zoals bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet; artikel 16, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat slechts in geval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid een bevel tot aanhouding kan worden verleend; daaruit volgt dat de noodzakelijkheid van de hechtenis wel degelijk een criterium is dat de rechter die moet oordelen over een verzoek tot opheffing of aanpassing van bij een invrijheidstelling onder voorwaarden opgelegde voorwaarden, bij zijn beslissing moet betrekken

(1).
(1)Over de band tussen art. 35 en 16 Wet Voorlopige Hechtnis zie Cass. 1 april 2025, AR P.25.0448.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.29, T. Strafr. 2025, 217; Cass. 19 mei 2020, AR P.20.0489.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.11, AC 2020, nr. 304, NC 2020, 379; Cass. 24 december 2019, AR P.19.1281.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191224.2N.4, AC 2019, nr. 687; Cass. 1 oktober 2019, AR P.19.0958.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191001.4, AC 2019, nr. 498, T. Strafr. 2020, 135 noot E. BAEYENS “Vrijheidsbeperkende voorwaarden bij een invrijheidstelling onder voorwaarden?”, T. Strafr. 2020, 136-138; Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0882.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.6, AC 2015, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 3 - 4 De correctionele kamer van het hof van beroep die moet oordelen over het hoger beroep dat een beklaagde heeft ingesteld tegen de afwijzende beschikking van de correctionele rechtbank over zijn verzoek tot aanpassing of opheffing van voorwaarden, dient niet te antwoorden op de middelen die de beklaagde heeft aangevoerd in zijn verzoekschrift; de kamer dient enkel te antwoorden op de middelen die werden aangevoerd in een voor die kamer regelmatig ingediende conclusie. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 5 - 6 Artikel 8.2 EVRM verzet zich er niet tegen dat hij die naar het vonnisgerecht is verwezen voor misdrijven die zouden zijn gepleegd ten nadele van sommige van zijn kinderen, als voorwaarde bij zijn invrijheidstelling overeenkomstig artikel 35 Voorlopige Hechteniswet een contactverbod wordt opgelegd met betrekking tot al zijn kinderen; een dergelijke inmenging is bij wet voorzien en beoogt het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid en de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 26 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 26 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0449.N H. A., beklaagde, verzoeker tot opheffing van voorwaarden hem opgelegd bij zijn invrijheidstelling, eiser, met als raadsman mr. Thierry Goffart, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 8, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: de motivering om het verzoek tot opheffing van de voorwaarden af te wijzen omdat de hechtenis absoluut noodzakelijk is wegens recidivegevaar, is niet pertinent en volkomen vreemd aan het voorwerp van de procedure; het voorwerp van de procedure is niet de handhaving van de hechtenis; het arrest antwoordt niet op de argumenten die in eisers verzoekschrift zijn vermeld en het motiveert de weigering tot aanpassing of schrapping van de voorwaarden niet.
  4. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de gerechten die uitspraak doen inzake voorlopige hechtenis. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Het middel verduidelijkt niet van welk geschrift het arrest de bewijskracht miskent en waarin die miskenning bestaat. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  6. Artikel 35, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat in de gevallen waarin de voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet bepaalde voorwaarden, de betrokkene in vrijheid kan worden gelaten onder oplegging van een of meer voorwaarden. Volgens artikel 35, § 2, Voorlopige Hechteniswet moeten de beslissingen waarbij voorwaarden worden opgelegd met redenen omkleed zijn zoals bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet. Artikel 16, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat slechts in geval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid een bevel tot aanhouding kan worden verleend. Daaruit volgt dat de noodzakelijkheid van de hechtenis wel degelijk een criterium is dat de rechter die moet oordelen over een verzoek tot opheffing of aanpassing van bij een invrijheidstelling onder voorwaarden opgelegde voorwaarden, bij zijn beslissing moet betrekken.
  7. De correctionele kamer van het hof van beroep die moet oordelen over het hoger beroep dat een beklaagde heeft ingesteld tegen de afwijzende beschikking van de correctionele rechtbank over zijn verzoek tot aanpassing of opheffing van voorwaarden, dient niet te antwoorden op de middelen die de beklaagde heeft aangevoerd in zijn verzoekschrift. De kamer dient enkel te antwoorden op de middelen die werden aangevoerd in een voor die kamer regelmatig ingediende conclusie.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Het arrest oordeelt dat de gevraagde wijziging van de voorwaarde C3 geen voldoende waarborg biedt om het recidivegevaar op te vangen, alsook dat de eiser op de rechtszitting afstand heeft gedaan van zijn verzoek tot wijziging van de voorwaarde C
  10. Het neemt bovendien de motivering van de beroepen beschikking over. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM: het arrest ontzegt aan de eiser ieder contact met zijn vijf kinderen; enkel met betrekking tot drie van die vijf kinderen werd tegen hem een beschuldiging geformuleerd; de eiser had voorgesteld dat de beslissing over het contact met de kinderen zou worden overgelaten aan de familierechtbank, maar die rechtbank kan geen beslissing nemen zolang het absolute contactverbod wordt gehandhaafd.
  12. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  13. Artikel 8.2 EVRM laat een inmenging door de overheid in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven toe op voorwaarde dat die inmenging bij wet is geregeld en nodig is in het belang van onder meer het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid en de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
  14. Daaruit volgt dat artikel 8.2 EVRM zich niet ertegen verzet dat hij die naar het vonnisgerecht is verwezen voor misdrijven die zouden zijn gepleegd ten nadele van sommige van zijn kinderen, als voorwaarde bij zijn invrijheidstelling overeenkomstig artikel 35 Voorlopige Hechteniswet een contactverbod wordt opgelegd met betrekking tot al zijn kinderen. Een dergelijke inmenging is bij wet voorzien en beoogt het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid en de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 38 Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt dat een vrijlating onder voorwaarden van de eiser niet aan de orde is, gelet op het recidivegevaar; daaruit kan worden afgeleid dat de appelrechters oordelen dat de hechtenis moet worden gehandhaafd en dat een vrijlating onder voorwaarden niet aan de orde is; bij de betekening deelde de politie aan de eiser mede dat hij zich diende aan te melden bij de gevangenis omdat zijn vrijlating werd herroepen; nergens uit het arrest blijkt dat de eiser enige voorwaarde niet heeft nageleefd, terwijl artikel 38, § 2, Voorlopige Hechteniswet dit vereist opdat bij toepassing van artikel 28 Voorlopige Hechteniswet een nieuw bevel zou kunnen worden uitgevaardigd.
  16. Het arrest oordeelt niet zoals in het middel wordt aangevoerd. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  17. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191001.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191224.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.29 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.