id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.20 Rolnummer: P.26.0485.N Zaak: Y. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 343 - laatst gezien 2026-06-18 06:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Indien de onderzoeksrechter een bevel tot medebrenging heeft uitgevaardigd en daarin vermeldt dat het bevel kan worden uitgevoerd op een adres dat de woonplaats van een derde is, geldt dit bevel voor de uitvoerende politieambtenaren als een toelating om de woonst van die derde te betreden maar dit uitsluitend met het oog op de uitvoering van het bevel tot medebrenging; geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich evenwel ertegen dat indien de onderzoeksrechter een bevel tot medebrenging heeft uitgevaardigd zonder daarin een adres te vermelden waar dit bevel kan worden uitgevoerd, aangezien er geen zekerheid bestaat over de precieze plaats waar de betrokkene kan worden aangetroffen, maar hij alsnog via politionele informatie ernstige aanwijzingen verkrijgt over een dergelijke plaats, hij mondeling aan de politieambtenaren opdracht geeft om in het licht van de nieuw verkregen aanwijzingen het reeds uitgevaardigde bevel op die plaats uit te voeren; de regelmatigheid van een dergelijk bevel tot medebrenging en de uitvoering ervan kan in het kader van de handhaving van de voorlopige hechtenis prima facie worden getoetst door het onderzoeksgerecht
(1).
(1)Zie alg. F. VANNESTE, “De tenuitvoerlegging van een bevel tot aanhouding bij verstek en van een bevel tot medebrenging”, RABG 2014, 49-54; H. BERCKMOES, “Bevel tot medebrenging”, in Postal Memorialis, Kluwer, 2018, B 190, p. 20; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 1198-
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT MEDEBRENGING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: WOONPLAATS Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0485.N A. Y., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Matthieu Generet, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Elsene, Kapitein Crespelstraat 2-4 bus 6, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM, alsook miskenning van het openbaarheidsbeginsel, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest verwijst meermaals naar het proces-verbaal 028737/26, maar dit proces-verbaal zat niet in het dossier op het ogenblik van de raadpleging ervan door de eiser; eisers verzoek om inzage van het dossier nadat het arrest was uitgesproken, werd hem geweigerd; de eiser heeft het dossier geraadpleegd op de griffie van het Hof maar nergens wordt van dit proces-verbaal melding gemaakt; uit geen enkel stuk van het dossier blijkt hoe de verbalisanten de in het proces-verbaal 026441/26 vermelde vaststellingen hebben kunnen doen.
- Het navolgend proces-verbaal 028737/26 van 19 maart 2026, dat volgens de erop aangebrachte vermelding op 19 maart 2026 werd bezorgd aan de onderzoeksrechter, maakt wel deel uit van het strafdossier, ook al wordt het niet als een afzonderlijk stuk vermeld op de inventaris. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1 en 2 Huiszoekingswet: er werd overgegaan tot een huiszoeking zonder te beschikken over een machtiging van de onderzoeksrechter; uit het strafdossier blijkt dat de facto een huiszoeking werd uitgevoerd; uit het fotografisch dossier blijkt dat de aangetroffen kledij en goederen werden verzameld op het bed; er zouden facturen op naam van de eiser in de woning zijn aangetroffen evenals een gsm-toestel in één van de kasten van de slaapkamer; dit blijkt niet uit een proces-verbaal; uit het proces-verbaal 026441/26 blijkt dat ook een simkaart en geld op de eiser werden aangetroffen, alsook een iPhone; het strafdossier bevat geen proces-verbaal waaruit blijkt op welke plaats dit toestel alsook de facturen werden aangetroffen; nochtans werden zowel op de rechtszitting van de raadkamer als die van het appelgerecht deze vondsten alsook de plaats waar ze werden aangetroffen, formeel bevestigd.
- Het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft of komt op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 8 EVRM en de artikelen 3 en 21 Voorlopige Hechteniswet: de vrijheidsberoving van de eiser die voortvloeit uit een onregelmatig bevel tot medebrenging, is eveneens onregelmatig; het bevel is onregelmatig omdat het geen adres vermeldt; dit is vereist indien het bevel tot medebrenging wordt gebruikt om de woonst van een derde te betreden; er is evenmin sprake van een schriftelijke toestemming door de derde (eerste onderdeel); het oordeel dat het kwestieuze pand het vermeende domicilie is van de eiser steunt uitsluitend op onregelmatig verkregen elementen, omdat die voortvloeien uit een huiszoeking en omdat ze niet aan tegenspraak zijn onderworpen; de uitvoering van een bevel tot medebrenging in een woning is slechts regelmatig indien die woning het domicilie van de betrokkene is; meerdere dossiergegevens wijzen erop dat het pand niet het domicilie van de eiser is; het arrest beperkt zich tot de stelling dat de eiser op drie adressen had kunnen worden aangetroffen waaronder de L. 238, zonder evenwel formeel te stellen dat dit het domicilie van de eiser is (tweede onderdeel).
- In zoverre het middel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste en tweede middel aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel door het arrest dat er ernstige aanwijzingen waren dat de eiser zich op 12 maart 2026 ’s avonds bevond op de feitelijke verblijfplaats van zijn vriendin A.E. op het adres …, is het evenmin ontvankelijk.
- Indien de onderzoeksrechter een bevel tot medebrenging heeft uitgevaardigd en daarin vermeldt dat het bevel kan worden uitgevoerd op een adres dat de woonplaats van een derde is, geldt dit bevel voor de uitvoerende politieambtenaren als een toelating om de woonst van die derde te betreden maar dit uitsluitend met het oog op de uitvoering van het bevel tot medebrenging.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich evenwel ertegen dat indien de onderzoeksrechter een bevel tot medebrenging heeft uitgevaardigd zonder daarin een adres te vermelden waar dit bevel kan worden uitgevoerd, aangezien er geen zekerheid bestaat over de precieze plaats waar de betrokkene kan worden aangetroffen, maar hij alsnog via politionele informatie ernstige aanwijzingen verkrijgt over een dergelijke plaats, hij mondeling aan de politieambtenaren opdracht geeft om in het licht van de nieuw verkregen aanwijzingen het reeds uitgevaardigde bevel op die plaats uit te voeren.
- De regelmatigheid van een dergelijk bevel tot medebrenging en de uitvoering ervan kan in het kader van de handhaving van de voorlopige hechtenis prima facie worden getoetst door het onderzoeksgerecht.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - de eiser werd op 12 maart 2026 om 20.03 u van zijn vrijheid beroofd op grond van een bevel tot medebrenging dat de onderzoeksrechter op 12 maart 2026 tegen hem heeft uitgevaardigd; - het bevel tot medebrenging werd uitgevoerd in de woning gelegen te …, derde verdieping, dit is de feitelijke verblijfplaats van zijn vriendin A.E.; - uit voorafgaand onderzoek was gebleken dat de eiser, die illegaal in het land verblijft zonder bekende verblijfplaats en doorgaans de alias O.E. zou gebruiken, kon worden aangetroffen bij zijn vriendin; - de resultaten van dat voorafgaand onderzoek zijn opgenomen in het navolgend proces-verbaal 028737/26, waaronder de gegevens dat zijn mobiele telefoon sinds 17.00 u inlogde op die plaats en dat zijn voertuig 10 meter verderop stond geparkeerd; - uit die gegevens blijkt dat de rechercheurs over ernstige aanwijzingen beschikten dat de eiser zich op 12 maart 2026 ’s avonds op de feitelijke verblijfplaats van zijn vriendin in A. bevond; - om 19.29 u heeft de onderzoeksrechter dan ook opdracht gegeven het bevel tot medebrenging uit te voeren op dat adres (navolgend proces-verbaal 028737/26: “Op 12/03/2026 om 19.29 u brengen wij de onderzoeksrechter telefonisch op de hoogte van deze elementen. Zij beveelt de uitvoering van het bevel tot medebrenging voor [de eiser] op voorvermeld adres”); - dat het bevel tot medebrenging geen adres of “domicilie” vermeldde, houdt geen onregelmatigheid in: de eiser verblijft immers illegaal in het land (kennelijk al meer dan tien jaar) en heeft geen gekende verblijfplaats; - uit het voorafgaande onderzoek van de rechercheurs blijkt dat hij op drie adressen zou kunnen worden aangetroffen, waaronder het adres …, derde verdieping, waar zijn vriendin feitelijk verblijft. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het bevel tot medebrenging en de uitvoering ervan in het kwestieuze pand prima facie niet onregelmatig zijn en dat dit geen grond opleverde om het bevel tot aanhouding onregelmatig te verklaren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div