id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.23 Rolnummer: P.26.0508.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 353 - laatst gezien 2026-06-18 06:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het onderzoeksgerecht dat gelet op de aard en de ernst van de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend en waarvoor het ernstige aanwijzingen van schuld aanneemt, oordeelt dat recidive en onttrekking te vrezen zijn, miskent niet het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, maar beoordeelt integendeel in overeenstemming met de wet de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 6 Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat de modaliteit van het elektronisch toezicht of een voorlopige invrijheidstelling onder voorwaarden of tegen een borgsom niet kan worden toegestaan omdat die geen afdoende waarborgen bieden voor de openbare veiligheid, oordeelt niet over de schuld van de inverdenkinggestelde en miskent dan ook niet het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 7 - 9 Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een inverdenkinggestelde klacht heeft ingediend wegens opzettelijke slagen en verwondingen en onmenselijke en vernederende behandelingen door penitentiaire beambten en agenten, die klacht het voorwerp moet uitmaken van een officieel onderzoek dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken; uit die bepaling volgt evenwel niet dat indien een inverdenkinggestelde een schending van artikel 3 EVRM aanvoert wegens misdrijven die worden toegeschreven aan penitentiaire beambten en agenten tijdens zijn detentie, het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de voorlopige hechtenis die klacht zelf moet onderzoeken; het volstaat dat het onderzoeksgerecht nagaat of de inverdenkinggestelde zijn aanvoering voldoende aannemelijk maakt en indien dit het geval mocht zijn of de aannemelijk gemaakte klacht een verderzetten van de voorlopige hechtenis belet
(1)Over de beoordeling van een klacht wegens politiegeweld zie Cass. 22 april 2025, AR P.24.1417.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.14, NC 2025, 154; Cass. 13 februari 2024, AR P.23.1693.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.11; Cass. 6 april 2022, AR P.21.1594.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220406.2F.4, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, RDPC 2022, 1191; Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1303.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10; Cass. 10 april 2018, AR P.17.1135.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2, AC 2018, nr. 219; Cass. 13 maart 2018, AR P.17.0841.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.4, AC 2018, nr. 178, Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3, AC 2015, nr. 217, RABG 2015, 987 noot V. VEREECKE, RW 2016-17, 738 noot S. DEWULF; EHRM 3 mei 2012, Salikov t/Rusland; EHRM 17 september 2014, Mocanu t/Roemenië; EHRM 28 september 2015, Bouyid t/België, §120, EHRM 7 maart 2019, Abdullayev t/Azerbeidzjan, www.echr.coe.int. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0508.N F. M’R., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Emmanuel Carlier, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel is als volgt geredigeerd: “De samenhang tussen voorlopige hechtenis en het verbod op ultra petita (buiten de vordering treden) in cassatie betreft in huidige zaak vooral de vraag of de KMI strengere maatregelen mag opleggen dan gevorderd. Het ultra petita beslissen over niet gevorderde maatregelen of voorwaarden van de hechtenis is een onregelmatigheid die vernietiging door het Hof kan rechtvaardigen. Het Hof van Cassatie ziet er op toe dat de vrijheidsbenemende maatregelen strikt binnen de wettelijke perken en de vordering blijven, waarbij een schending van deze regels, zoals het onterecht oordelen over niet gevorderde maatregelen of voorwaarden kan leiden tot cassatie.”
- Een cassatiemiddel is slechts ontvankelijk als het op klare wijze de onwettigheid signaleert die het aan de bestreden beslissing verwijt en duidelijk uiteenzet op welke wijze de bestreden beslissing die onwettigheid begaat.
- De wijze waarop het middel is geredigeerd, laat het Hof niet toe zonder kans op vergissing te achterhalen welke de onwettigheid is die aan de bestreden beslissing wordt verweten en hoe de bestreden beslissing die onwettigheid begaat. Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, eerste en tweede lid, 21, § 5, 22, zesde en zevende lid, 23, 4°, en 30, § 3 en § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest is niet naar recht verantwoord doordat het is gemotiveerd met verwijzing naar de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie die op haar beurt een loutere verwijzing is naar de ernstige aanwijzingen van schuld die werden vermeld in het bevel tot aanhouding; dit wijst op een motivering die onverenigbaar is met het uitzonderlijk karakter van de voorlopige hechtenis en is bijgevolg onvoldoende om eisers conclusie betreffende de ernstige aanwijzingen van schuld te beantwoorden.
- Er blijkt niet dat de eiser in zijn voor de kamer van inbeschuldigingstelling ingediende conclusie heeft betwist dat er tegen hem ernstige aanwijzingen van schuld bestaan voor de feiten waarvoor tegen hem een bevel tot aanhouding werd verleend.
- Het arrest verwijst voor het oordeel betreffende de ernstige aanwijzingen van schuld niet naar de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie of naar eerdere handhavingsbeslissingen.
- In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de kamer van inbeschuldigingstelling voor het voorhanden zijn van ernstige aanwijzingen van schuld verwijst naar die welke zijn vermeld in het bevel tot aanhouding, mits wordt vastgesteld dat deze aanwijzingen nog steeds bestaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest neemt zonder voorbehoud de vordering van het openbaar ministerie over en aldus geven de appelrechters hun persoonlijke overtuiging over de aard en de ernst van de feiten te kennen; door te oordelen dat er nog altijd ernstige redenen zijn om te vrezen dat indien de eiser in vrijheid wordt gesteld hij gezien de aard van de ten laste gelegde feiten nieuwe misdaden of misdrijven zal plegen en dat hij zich zal onttrekken aan het gerecht aangezien hij weinig bindingen heeft met België en de Marokkaanse nationaliteit heeft, miskent het arrest eisers vermoeden van onschuld; een dergelijke voorbehoudsloze, algemene, vooroordelende en punitieve redenering miskent dit algemeen rechtsbeginsel; het arrest beslist dat de plaats van de eiser “nu en in de toekomst” achter de tralies is; een dergelijke beslissing geeft ook geen blijk van een noodzakelijke individualisering en negeert de gevolgen van het evolutief en uitzonderlijk karakter van de voorlopige hechtenis; elk alternatief voor de voorlopige hechtenis wordt afgewezen; voor de afwijzing van elektronisch toezicht is er geen motivering; door elk alternatief zoals een vrijlating onder voorwaarden of elektronisch toezicht af te wijzen, geven de appelrechters de indruk uit te gaan van de schuld van de eiser.
- Het arrest verwijst voor wat betreft het oordeel over het gevaar voor recidive en onttrekking niet naar de vordering van het openbaar ministerie. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het onderzoeksgerecht dat gelet op de aard en de ernst van de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend en waarvoor het ernstige aanwijzingen van schuld aanneemt, oordeelt dat recidive en onttrekking te vrezen zijn, miskent niet het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, maar beoordeelt integendeel in overeenstemming met de wet de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met het oordeel dat ingeval van een invrijheidstelling er een gevaar is op recidive (de aard van de feiten wijzen op een gevaarlijke geestesgesteldheid; er zijn de gerechtelijke antecedenten van de eiser) en onttrekking (de eiser heeft weinig bindingen met België en hij heeft de Marokkaanse nationaliteit) en dat de modaliteit van het elektronisch toezicht of een voorlopige invrijheidstelling onder voorwaarden of tegen een borgsom geen afdoende waarborgen bieden voor de openbare veiligheid, beantwoordt en verwerpt het arrest het door de eiser in zijn appelconclusie geformuleerde verzoek met specifiek op hem betrekking hebbende redenen, die het evolutief en uitzonderlijk karakter van de voorlopige hechtenis niet negeren. Met dat oordeel beslist het arrest niet dat de plaats van de eiser “nu en in de toekomst” achter de tralies is. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat de modaliteit van het elektronisch toezicht of een voorlopige invrijheidstelling onder voorwaarden of tegen een borgsom niet kan worden toegestaan omdat die geen afdoende waarborgen bieden voor de openbare veiligheid, oordeelt niet over de schuld van de inverdenkinggestelde en miskent dan ook niet het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM en de artikelen 16 en 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: het arrest hanteert bij de aangevoerde schending van deze verdragsbepaling een verkeerde bewijsstandaard; de eiser heeft in zijn appelconclusie een geloofwaardige en redelijke gedetailleerde beschrijving gegeven van de vernederende omstandigheden tijdens zijn detentie in de gevangenis te Haren, die werd bevestigd in recente rapporten; het arrest kan dit verweer niet verwerpen met het oordeel dat op basis van de overgelegde stukken de concrete leefomstandigheden in de gevangenis waar de eiser verblijft louter subjectief zijn en dat geen objectieve gegevens voorliggen; de eiser heeft in zijn appelconclusie aangevoerd dat hij klacht heeft ingediend bij de onderzoeksrechter wegens zware en brutale detentieomstandigheden die een schending inhouden van artikel 3 EVRM en wat werd bevestigd bij een verhoor; het arrest kan eisers aanvoering niet verwerpen dat door de aangevoerde verdragsschending zijn gevangenhouding onwettig is en dat hij moet worden vrijgelaten dan wel dat hem elektronisch toezicht moet worden toegekend.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eisers aanvoering betreffende de onverenigbaarheid van zijn opsluiting in de gevangenis te Haren met artikel 3 EVRM, geen betrekking heeft op de materiële opsluitingsomstandigheden (celgrootte, grondslapen, sanitair, …), maar wel op het feit dat de eiser naar zijn zeggen het slachtoffer werd van opzettelijke slagen en verwondingen en onmenselijke en vernederende behandelingen door penitentiaire beambten en agenten. Hij heeft voor die feiten klacht ingediend bij de onderzoeksrechter met burgerlijkepartijstelling.
- Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een inverdenkinggestelde klacht heeft ingediend wegens opzettelijke slagen en verwondingen en onmenselijke en vernederende behandelingen door penitentiaire beambten en agenten, die klacht het voorwerp moet uitmaken van een officieel onderzoek dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken.
- Uit die bepaling volgt evenwel niet dat indien een inverdenkinggestelde een schending van artikel 3 EVRM aanvoert wegens misdrijven die worden toegeschreven aan penitentiaire beambten en agenten tijdens zijn detentie, het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de voorlopige hechtenis die klacht zelf moet onderzoeken. Het volstaat dat het onderzoeksgerecht nagaat of de inverdenkinggestelde zijn aanvoering voldoende aannemelijk maakt en indien dit het geval mocht zijn of de aannemelijk gemaakte klacht een verderzetten van de voorlopige hechtenis belet.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat eisers klacht met burgerlijkepartijstelling geen objectieve beschrijving inhoudt van de detentieomstandigheden, maar louter de weergave van zijn subjectief standpunt, alsook dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat de detentieomstandigheden van de eiser een inbreuk uitmaken op artikel 3 EVRM en dat deze een invrijheidstelling verantwoorden. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing tot afwijzing van eisers verzoek om een invrijheidstelling naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 44,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220406.2F.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div