← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026

Art. 634

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) -

Art. 634

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) -

Art. 634

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) -

Art. 634, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Tekst van de beslissing Nr.

P.26.0174.N F. S., verzoeker tot herstel in eer en rechten, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 17 maart 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht en de voornoemde advocaat-generaal heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 621 tot en met 634 Wetboek van Strafvordering: het arrest miskent het gelijkheids- en discriminatiebeginsel want “iemand die een buitenlandse jurisdictie zou ondergaan en uiteindelijk ook gehandeld heeft conform de Belgische wetgeving, zou alsdan in tegenstrijd tot andere die zich aan een Belgische jurisdictie hebben ondergaan, deze vraagstelling niet kunnen indienen”. Er wordt gevraagd volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 621 tot en met 634 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet omdat ze niet toelaten een beoordeling te vellen over een buitenlandse jurisdictie bij het toekennen van een verzoek tot eerherstel, ondanks dat, zoals in deze casus, aan alle voorwaarden werd voldaan om het eerherstel te verkrijgen?”
  3. Volgens artikel 634, eerste lid, Wetboek van Strafvordering doet het herstel in eer en rechten voor het toekomende alle gevolgen van de veroordeling ophouden in de persoon van de veroordeelde, onverminderd de rechten door derden verkregen. Uit de aard zelf van deze handeling volgt dat een Belgische rechter geen herstel in eer en rechten kan verlenen voor de gevolgen van een buitenlands vonnis. Personen die door een Belgische rechtbank werden veroordeeld en personen die door een buitenlandse rechtbank werden veroordeeld bevinden zich in dat opzicht klaarblijkelijk niet in vergelijkbare rechtstoestanden die de wet verschillend behandelt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. De prejudiciële vraag wordt om die reden ook niet gesteld. Tweede middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 622 en 623 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat niet aan de voorwaarden voor het herstel in eer en rechten is voldaan, aangezien “zelfs de verzekering de schadevergoeding [heeft] betaald”.
  5. Het middel dat geheel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het arrest, is niet ontvankelijk. Derde middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de redelijke termijn in strafzaken: er is een overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken, nu de eiser werd veroordeeld voor feiten van 2008 “in 2018 of is het 2020 wat niet geheel duidelijk is, ook niet uit het uittreksel van het strafregister”.
  7. Het middel verwijt een miskenning van de redelijke termijn in strafzaken aan het Poolse gerecht maar heeft geen betrekking op het thans bestreden arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260414.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.