id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026
Art. 202
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 203
, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 202
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 203, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.
P.26.0036.N L. M., beklaagde, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Lennert Dierickx, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 202 en 203 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk; het openbaar ministerie heeft nagelaten tijdig hoger beroep in te stellen; de akte van hoger beroep vermeldt enkel dat W. V.R. hoger beroep heeft ingesteld; elke vermelding van de hoedanigheid van de betrokkene ontbreekt; zij was geen partij in de zaak; de naam en de hoedanigheid van de bevoegde magistraat moeten worden vermeld en de hoedanigheid ontbreekt hier; op het grievenformulier is een stempel aangebracht met de vermelding “W. V.R. Eerste substituut”, zonder nadere vermelding wat het parket betreft; een grievenformulier kan niet worden vereenzelvigd met een verklaring van hoger beroep; enkel de verklaring van hoger beroep is een authentieke akte; er moet voorrang worden verleend aan de verklaring van hoger beroep ten nadele van het grievenformulier; een vormgebrek in de verklaring van hoger beroep kan niet worden opgevangen door middel van het grievenformulier.
- Uit artikel 202 Wetboek van Strafvordering volgt dat het openbaar ministerie hoger beroep kan instellen tegen een vonnis van de correctionele rechtbank. Volgens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering wordt het hoger beroep ingesteld door het afleggen van een verklaring van hoger beroep op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen.
- In de regel zal in de akte die wordt opgemaakt van het afleggen van de verklaring van hoger beroep namens het openbaar ministerie melding worden gemaakt van de naam en de hoedanigheid van de bevoegde magistraat van het openbaar ministerie.
- Uit het enkele feit dat in de verklaring van hoger beroep enkel de naam wordt vermeld van de magistraat van het openbaar ministerie, maar niet zijn hoedanigheid, volgt niet dat het openbaar ministerie geen rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld. Het appelgerecht kan de hoedanigheid van hij die met opgave van zijn naam de verklaring heeft afgelegd, afleiden uit de stukken van de rechtspleging, zoals het grievenformulier. De omstandigheid dat het grievenformulier geen authentieke akte is, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest verwerpt de aanvoering van de eiseres dat het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk is. Het oordeelt dat de appelrechters kunnen nagaan of W. V.R. als persoon die de verklaring van hoger beroep heeft afgelegd een bevoegd magistraat is van het openbaar ministerie, dat uit het bijgevoegde grievenformulier dat samen met de akte van beroep werd neergelegd blijkt dat zij als bevoegd magistraat van het openbaar ministerie de formaliteiten om hoger beroep in te stellen heeft vervuld, dat in het grievenformulier naast haar naam en handtekening volgens de geplaatste stempel de hoedanigheid van eerste substituut werd vermeld en ten slotte dat zij daartoe was gedelegeerd door het federaal parket. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet: het arrest motiveert niet waarom niet wordt ingegaan op een in een appelconclusie uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging; de eiseres blijft zo in de onwetendheid over de reden waarom op haar verzoek niet is ingegaan; het arrest neemt nochtans verzachtende omstandigheden aan, maar het is niet duidelijk wat de impact daarvan is; het oordeel dat er geen ruimte is voor mildering is een generieke motivering; bij andere beklaagden werd de weigering om uitstel van tenuitvoerlegging wel gemotiveerd.
- Indien de rechter een beklaagde veroordeelt tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan vijf jaar en hij bijgevolg op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, Probatiewet voor die straf geen uitstel van tenuitvoerlegging meer kan verlenen, moet hij niet motiveren waarom aan de beklaagde geen uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend. In dat geval volgt de onmogelijkheid om uitstel te verlenen voort uit de wet zelf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 61-62) oordeelt dat er weliswaar bepaalde verzachtende omstandigheden zijn, welke het vermeldt, maar het voegt daaraan toe dat de bewezenverklaarde feiten een bedreiging vormen voor de democratische waarden en de veiligheid van de burgers, zodat een zeer streng en duidelijk signaal noodzakelijk is. Het arrest (p. 62, zesde alinea) oordeelt ook niet louter dat er geen ruimte is voor enige mildering van de door de eerste rechter opgelegde straf, maar het somt de feitelijke gegevens op die dit oordeel verantwoorden. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 295,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div