← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.11 Rolnummer: P.26.0519.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-23 Raadplegingen: 417 - laatst gezien 2026-06-18 17:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Tekst van de beslissing Nr. P.26.0519.N M. M., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Sofie Molenberghs, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 30 maart 2026, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 10 maart 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 80 Interneringswet: het vonnis is niet gewezen binnen de veertien dagen na de vernietiging van het vonnis van 10 februari 2026 door het Hof met het arrest van 10 maart 2026; het vonnis had ten laatste op 24 maart 2026 moeten worden uitgesproken; de niet-naleving van dit voorschrift is gelet op de continue schending door de Belgische Staat van artikel 5.1.e EVRM niet te verantwoorden. 2. Artikel 80 Interneringswet bepaalt dat na een cassatiearrest met verwijzing naar een anders samengestelde kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) die kamer uitspraak moet doen binnen de veertien dagen, te rekenen van de uitspraak van het cassatiearrest. 3. Die bepaling voorziet niet in een sanctie bij overschrijding van die termijn. Die termijn is een ordetermijn en de niet-naleving ervan tast de wettigheid niet aan van een buiten die termijn uitgesproken vonnis. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM en artikel 149 Grondwet: het vonnis beantwoordt niet afdoende eisers verweer waarom het ter bescherming van de maatschappij niet te verantwoorden is dat de eiser in vrijheid wordt gesteld; er wordt slechts zeer summier verwezen naar twee verslagen van geneesheren en een verslag van de psychosociale dienst (hierna PSD). 5. Het middel verduidelijkt niet op welke wijze het vonnis artikel 5 EVRM schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 6. Het vonnis (p. 10) verwijst ter verwerping van het door de eiser aangevoerde verweer niet enkel naar de drie in het middel vermelde verslagen, maar ook naar het schriftelijke en op de rechtszitting uitgebrachte mondeling advies van de directie. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. 7. De uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende antwoordplicht, die een formeel karakter heeft, vereist niet dat de rechter op een uitgesponnen verweer een even uitgesponnen antwoord verstrekt. Het volstaat dat de rechter een verweer in zijn essentie beantwoordt, zodat hij die het heeft aangevoerd, weet waarom het de rechter niet overtuigt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Met de redenen die het vonnis (p. 10) bevat, beantwoordt en verwerpt dit het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel 9. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 13 EVRM: het vonnis kan niet oordelen dat de schending van artikel 5 EVRM “niet kan worden weggewerkt” omdat de eiser een te groot gevaar vormt voor de samenleving; op basis van de te summiere beoordeling kan de kamer niet tot het besluit komen dat een invrijheidstelling niet te verantwoorden is in het licht van de bescherming van de maatschappij; die beoordeling moet gebeuren rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak; het vonnis verwijst enkel naar elementen inzake de geestestoestand van de eiser voor de beoordeling van de gevaarlijkheid; met ander cruciale en meer recente elementen is geen rekening gehouden; het vonnis is louter gebaseerd op zeer oude verslagen of verkeerde interpretaties van verslagen; die verslagen en taxaties moeten bovendien kritisch worden benaderd omdat er cruciale informatie ontbreekt; de gevaarlijkheid van de eiser moet worden beoordeeld rekening houdend met de realiteit en niet enkel met een hypothetische realiteit. 10. Indien de kamer vaststelt dat een schending voorligt van artikel 5.1.e EVRM omdat een geïnterneerde niet binnen een redelijke termijn is geplaatst in een aan zijn geestestoestand aangepaste instelling, moet de kamer de onrechtmatigheid van de vrijheidsberoving afwegen tegen het gevaar dat een vrijlating van de geïnterneerde voor de samenleving oplevert en kan zij beslissen dat gelet op die gevaarlijkheid de geïnterneerde niettegenstaande de vastgestelde schending van artikel 5.1.e EVRM van zijn vrijheid blijft beroofd. 11. Het komt de kamer als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege toe de gevaarlijkheid van een geïnterneerde te beoordelen. 12. Bij die beoordeling, die niet noodzakelijk samenvalt met de beoordeling van de geestestoestand van de geïnterneerde, dient de kamer rekening te houden met de concrete omstandigheden van de zaak zoals die gekend zijn op het ogenblik van de te nemen beslissing. Zij kan daarvoor onder meer steunen op de aard van de feiten waarvoor de interneringsmaatregel is bevolen, deskundigenverslagen van psychiaters of psychologen, risicotaxaties en informatie verstrekt door de penitentiaire autoriteiten, zonder dat de kamer door die verslagen en gegevens is gebonden of dat zij er in haar beslissing noodzakelijk melding moet van maken. 13. De vereiste van een actuele beoordeling sluit niet uit dat de kamer ook rekening houdt met niet recente of minder recente verslagen voor zover blijkt dat de daarin vervatte gegevens nog steeds relevant zijn voor de beoordeling van de gevaarlijkheid van de geïnterneerde op het ogenblik van de te nemen beslissing. De kamer kan immers niet zonder meer abstractie maken van de voorgaanden van de geïnterneerde op strafrechtelijk, psychiatrisch, psychologisch, sociaal en penitentiair vlak. 14. Niet is vereist dat de kamer bij elke beoordeling die zij moet maken betreffende de gevaarlijkheid van een geïnterneerde telkens een nieuw psychiatrisch of een psychologisch onderzoek of een risicotaxatie beveelt. 15. De beoordeling van de gevaarlijkheid van de geïnterneerde voor de maatschappij veronderstelt steeds een inschatting naar de toekomst. De daarmee noodzakelijk verbonden onzekerheid impliceert evenwel niet dat de beoordeling arbitrair is. 16. Waar rekening houdend met het voorgaande de kamer onaantastbaar oordeelt over de gevaarlijkheid van een geïnterneerde voor de samenleving, gaat het Hof wel na of de kamer uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 17. Bij die toetsing kan het Hof enkel rekening houden met feitelijke gegevens opgenomen in stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. 18. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 19. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 20. Het vonnis oordeelt als volgt: - er wordt vastgesteld dat op de datum van de beslissing het met het oog op de bescherming van de maatschappij niet is verantwoord de eiser in vrijheid te stellen en dat voorwaarden of modaliteiten de gevaren voor de samenleving niet kunnen ondervangen; - de eiser lijdt volgens de psychiatrische deskundige aan een autismespectrumstoornis, een persoonlijkheidsstructuur met antisociale, narcistische en ontwijkende aspecten, gepaard gaande met een verhoogd risico op impulscontroledoorbraken en mogelijk agressief acting-out gedrag, alsook middelenafhankelijkheid gepaard gaande met psychotische decompensaties; - het psychiatrisch adviesverslag van dr. S. zoals op 27 juni 2025 geactualiseerd en neergelegd op 2 juli 2025, bevestigt nog steeds de actualiteit van het advies dat een langdurig traject is aangewezen middels een plaatsing in een high security voorziening gelet op de hardnekkige en problematische persoonlijkheidsproblematiek die een langdurend traject aangewezen maakt enerzijds en de ernst en frequentie van eender welke vorm van geweld binnen een ziekenhuiscontext, het aanhoudend problematisch medicatiegebruik en het ontbreken van waarheidsgetrouwe informatie van de eiser zelf anderzijds, zoals blijkt uit dat verslag; - uit het PSD-verslag van 23 maart 2026 blijkt dat sindsdien bijkomende recente incidenten op de afdeling voor bescherming van de maatschappij (hierna ABM) plaatsvonden die bovenstaande middelen- en persoonlijkheidsproblematieken opnieuw aantonen; - uit dit verslag blijkt dat de eiser op 26 februari 2026 op plaats 40-41 en plaats 43-44 stond van de wachtlijsten van het forensische psychiatrische centrum (hierna FPC) van respectievelijk Gent en Antwerpen; - van bij het begin van de interneringsmaatregel werden tal van behandelingen en begeleidingen doorgevoerd tijdens verscheidene modaliteiten, maar pogingen om een ambulant traject uit te werken mislukten en een plaatsing in een ABM was uiteindelijk onvermijdelijk; - uit het schriftelijk en uit het mondeling advies van de directeur op de rechtszitting van 24 maart 2026 blijkt dat de eiser werd aangemeld bij de drie Vlaamse medium security voorzieningen, maar dat hij er werd geweigerd waardoor enkel een plaats in een FPC nog als realistische optie overbleef; - in het licht van het risicoprofiel van de eiser zijn de doorstroommogelijkheden intussen beperkt; - het niet-vinden van een geschikt residentieel zorgtraject in minstens een medium security voorziening, ook al duurt dit intussen lang, is geen reden om de mate van beveiliging te verlagen; - in het licht van de geactualiseerde verslagen en adviezen wordt vastgesteld dat het verblijf van de eiser in de ABM Merksplas thans en in afwachting van een overplaatsing naar een residentiële high security voorziening de enige en voldoende aan zijn noden aangepaste wijze is om de internering te doen uitvoeren, rekening houdend met de gevaren die de vrijlating van de eiser, zelfs onder specifieke voorwaarden, zou opleveren voor de samenleving gelet op het reële risico op herval in middelengebruik en in het plegen van nieuwe strafbare feiten. Op grond van die redenen, waaruit blijkt dat de kamer wel degelijk rekening houdt met de concrete omstandigheden van de zaak en zij de actualiteit van de beschikbare gegevens heeft beoordeeld, kan het vonnis wettig oordelen dat ondanks de vastgestelde schending van artikel 5.1.e EVRM door het langdurig verblijf van de eiser in een ABM, de gevaarlijkheid van de eiser voor de samenleving de verwerping van een invrijheidstelling, zelfs met voorwaarden, verantwoordt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.