id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.12 Rolnummer: P.26.0431.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2026-04-23 Raadplegingen: 379 - laatst gezien 2026-06-18 10:57 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Op de procedure voor en op beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank is artikel 5 EVRM niet van toepassing; artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de procedure voor en op beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank die geen uitspraak doet over de gegrondheid van een strafvervolging. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Fiches 4 - 5 Artikel 96 Wet Strafuitvoering bepaalt op beperkende wijze tegen welke beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank cassatieberoep kan worden ingesteld; de beslissing om bij toepassing van artikel 59 Wet Strafuitvoering uitgaansvergunningen al dan niet toe te kennen, worden daarbij niet vermeld, zodat het cassatieberoep tegen de beslissing waarbij een verzoek om uitgaansvergunningen op grond van artikel 59 Wet Strafuitvoering wordt afgewezen niet ontvankelijk is. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 59 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 96 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 59 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 96 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 6 - 7 Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat een veroordeelde de aanvoering niet aannemelijk maakt dat de met zijn overbrenging gepaard gaande veiligheidsmaatregelen een schending opleveren van artikel 3 EVRM omdat die berust op een veronderstelling, die verder te onderzoeken of te laten onderzoeken. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 8 Uit de enkele omstandigheid dat het strafeinde van een veroordeelde weldra zal worden bereikt, volgt niet dat hij hoe dan ook recht heeft op een strafuitvoeringsmodaliteit of dat de strafuitvoeringsrechtbank het voorhanden zijn van de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen anders zou moeten beoordelen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0431.N F. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Seno Devriendt, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 20 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De eiser vraagt dat het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag stelt: “Verzetten de artikelen 5 en 13 EVRM, al dan niet in samenlezing met artikel 6.1 EVRM, alsook artikel 47 Handvest Grondrechten Europese Unie, zich tegen een nationale regeling of praktijk waarbij beslissingen van de administratie en in het bijzonder de dienst Detentiebeheer inzake de toekenning, de weigering of de schorsing van uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven aan een gedetineerde, die een rechtstreekse en doorslaggevende impact hebben op zijn vrijheidssituatie en reclasseringstraject, niet onderworpen zijn aan een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel dat toelaat deze beslissingen binnen een korte en redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter te laten toetsen, in het bijzonder in situaties waarin deze beslissingen zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden die worden betwist door de betrokkene en waarvan de gevolgen zich onmiddellijk en concreet laten voelen in de verdere strafuitvoering?”
- De eiser zet samengevat uiteen dat de beslissingen van de dienst Detentiebeheer over uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven een wezenlijk onderdeel vormen van de strafuitvoeringsketen, dat die gericht zijn op de geleidelijke en gecontroleerde re-integratie van de veroordeelde in de samenleving en dat het niet mogelijk is om dergelijke beslissingen op korte termijn te laten toetsen door een rechter.
- Op de procedure voor en op beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank is artikel 5 EVRM niet van toepassing. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de procedure voor en op beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank die geen uitspraak doet over de gegrondheid van een strafvervolging.
- Artikel 51.1 Handvest Grondrechten Europese Unie legt vast dat de bepalingen ervan zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Er wordt door de eiser niet voorgehouden en er blijkt ook niet dat het voorwerp van de prejudiciële vraag betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie. Artikel 47 Handvest Grondrechten Europese Unie betreffende het recht op een doelmatige voorziening in rechte is dan ook vreemd aan het voorwerp van de prejudiciële vraag.
- De prejudiciële vraag beoogt niet het Grondwettelijk Hof te bevragen over de verenigbaarheid van de aangevoerde afwezigheid van een regeling met een van de artikelen van titel II De Belgen en hun rechten als bedoeld door artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof.
- Ten slotte wordt met de prejudiciële vraag niet voorgehouden dat het de strafuitvoeringsrechtbank of dit Hof is die rechtsmacht zou moeten hebben om een beslissing van de dienst Detentiebeheer betreffende uitgaansvergunningen of penitentiaire verloven te toetsen.
- De prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld.
- Artikel 96 Wet Strafuitvoering bepaalt op beperkende wijze tegen welke beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank cassatieberoep kan worden ingesteld. De beslissing om bij toepassing van artikel 59 Wet Strafuitvoering uitgaansvergunningen al dan niet toe te kennen, worden daarbij niet vermeld. In zoverre ook gericht tegen de beslissing waarbij eisers verzoek om uitgaansvergunningen op grond van artikel 59 Wet Strafuitvoering wordt afgewezen, is zijn cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 13 EVRM en artikel 149 Grondwet: het vonnis beperkt het oordeel over eisers aanvoering dat het veiligheidsregime bij de overbrenging van de eiser naar de strafuitvoeringsrechtbank vernederend en disproportioneel is en strijdig kan zijn met artikel 3 EVRM tot de overweging dat de strafuitvoeringsrechtbank niet bevoegd is om de wijze van overbrenging te bepalen; het onderzoekt niet of de concrete omstandigheden waarin deze overbrenging plaatsvindt verenigbaar is met artikel 3 EVRM noch wat de impact is van die omstandigheden op het recht van verdediging van de eiser; de door de eiser ondergane veiligheidsmaatregelen bestonden onder meer uit een volledige ontkleding en lichamelijke controle, waarbij hij zich diende voorover te buigen teneinde lichaamsholten te laten inspecteren, het blinddoeken tijdens het transport, het opzetten van een hoofdtelefoon met oorverdovende muziek met als doel desoriëntatie, het gebruik van bijzondere boeien waarbij hij aan de handen en in voorkomend geval aan de zetel werd gefixeerd, alsook het geblinddoekt overbrengen naar de zittingszaal waar hij pas ter plaatse zijn blinddoek mocht afnemen en geboeid de rechtszitting diende bij te wonen; volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn veiligheidsmaatregelen die een gedetineerde onderwerpen aan een vernederende of stigmatiserende behandeling slechts toelaatbaar indien zij strikt noodzakelijk en proportioneel zijn ten aanzien van een concreet veiligheidsrisico en dat maatregelen die een persoon zichtbaar als bijzonder gevaarlijk presenteren strijdig kunnen zijn met artikel 3 EVRM wanneer ze niet individueel worden gemotiveerd en gerechtvaardigd; het vonnis laat na deze concrete en gedetailleerde argumentatie inhoudelijk te beoordelen; daardoor wordt ook artikel 13 EVRM geschonden; het oordeel dat de eiser niet aantoont dat deze bijzondere veiligheidsmaatregelen nog van toepassing zijn en dat de eiser desgevallend een uitgaansvergunning kan aanvragen om deze maatregelen te vermijden door zichzelf naar de rechtbank te begeven, is niet naar recht verantwoord; er bestaat geen enkele verplichting voor een veroordeelde om een uitgaansvergunning aan te vragen om toegang te krijgen tot de rechter en aldus bijzondere veiligheidsmaatregelen te omzeilen; bovendien mocht de eiser aannemen dat deze veiligheidsmaatregelen die in het verleden systematisch en zonder uitzondering op hem werden toegepast, nog steeds van toepassing waren, nu hem op geen enkel ogenblik werd meegedeeld dat deze maatregelen werden opgeheven of versoepeld; een uitgaansvergunning vereist bovendien een beslissing van de dienst Detentiebeheer, waartegen geen rechtsmiddel kan worden aangewend; een uitgaansvergunning zou ook gepaard kunnen gaan met dergelijke veiligheidsmaatregelen; de motivering is dan ook speculatief, niet daadkrachtig, ontoereikend en tegenstrijdig; minstens had de strafuitvoeringsrechtbank op de rechtszitting zelf moeten onderzoeken of het veiligheidsregime nog van toepassing was.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, dit wil zeggen feiten die niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, is het niet ontvankelijk.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat een veroordeelde de aanvoering niet aannemelijk maakt dat de met zijn overbrenging gepaard gaande veiligheidsmaatregelen een schending opleveren van artikel 3 EVRM omdat die berust op een veronderstelling, die verder te onderzoeken of te laten onderzoeken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het vonnis onderzoekt wel degelijk eisers aanvoering over de voorgehouden strijdigheid van zijn overbrengingsomstandigheden met artikel 3 EVRM. Het vonnis oordeelt dat nergens uit blijkt dat indien de eiser zou zijn overgebracht naar de rechtszittingen van 24 februari 2026 en 10 maart 2026 dit zou zijn gebeurd onder een bijzonder veiligheidsregime, de eiser de laatste maal voor de strafuitvoeringsrechtbank verscheen op 28 november 2023, dit wil zeggen bijna 2,5 jaar geleden en dat hijzelf aanvoert dat zijn situatie sindsdien grondig is veranderd, waarmee de strafuitvoeringsrechtbank aangeeft dat de eiser niet zonder meer mocht aannemen dat op hem nog steeds dezelfde veiligheidsmaatregelen van toepassing waren en zijn aanvoering uitgaat van een loutere veronderstelling. Met die redenen, die niet speculatief, ontoereikend, niet-daadkrachtig of tegenstrijdig zijn, verantwoordt de strafuitvoeringsrechtbank de afwijzing van eisers verweer betreffende artikel 3 EVRM naar recht, zonder dat de strafuitvoeringsrechtbank ter zake nader onderzoek had moeten verrichten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het middel gericht tegen door de strafuitvoeringsrechtbank ten overvloede gegeven redenen, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede en derde middel
- Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 3, 5, 6 en 13 EVRM en artikel 149 Grondwet: het vonnis beantwoordt niet eisers aanvoering dat hij zich bevindt in een situatie waarbij hij niet zal kunnen worden verwijderd uit België, hij familiaal en maatschappelijk volledig is verankerd maar zijn strafuitvoeringsdossier volledig is geblokkeerd omdat de mogelijkheid om een verblijfsaanvraag in te dienen door de administratie systematisch wordt geweigerd waardoor er een “structureel juridisch limbo” ontstaat; dit heeft tot gevolg dat de eiser quasi zijn volledige straf moet ondergaan zonder enige voorbereiding op re-integratie en een reëel perspectief op terugkeer in de samenleving onevenredig wordt beperkt; dit is niet verenigbaar met de finaliteit van de Wet Strafuitvoering en met artikel 27 van het nieuwe strafwetboek; het volledig ontzeggen van reële perspectieven op reclassering door het ontbreken van enig concreet verblijfsrechtelijk perspectief, waarbij de gemeente Beveren het gewettigd vertrouwen op het kunnen starten van een verblijfsaanvraag miskende in die zin dat ze het opstarten ervan in het verleden wel toestond, alsook de verstreken detentieduur, de uitgesproken familiale en maatschappelijke verankering van de eiser en het ontbreken van enig concreet verwijderingsperspectief, maken een behandeling uit die strijdig is met artikel 3 EVRM in zoverre zij leidt tot een te verregaande perspectiefloosheid, met artikel 5 EVRM dat vereist dat de vrijheidsberoving gericht blijft op een legitiem doel, alsook met de artikelen 6 en 13 EVRM die een effectieve toegang tot de rechter en een daadwerkelijk rechtsmiddel waarborgen; het vonnis gaat niet concreet in op de wezenlijke elementen van het dossier, namelijk het feit dat de eiser zijn straf quasi volledig heeft ondergaan en zijn uitgesproken familiale en maatschappelijke verankering; deze elementen zijn nochtans rechtstreeks relevant voor de beoordeling van het recidiverisico, de haalbaarheid van de integratie en de proportionaliteit van de weigering van een strafuitvoeringsmodaliteit; het vonnis laat niet toe te begrijpen waarom in deze uitzonderlijke omstandigheden elke strafuitvoeringsmodaliteit wordt geweigerd; het Hof is dan ook niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; het vonnis antwoordt niet op eisers middelen dat de dienst Vreemdelingenzaken heeft bevestigd dat er geen verwijdering zal plaatsvinden, er dus een reëel perspectief is op re-integratie in België, de eiser getuigt van een gunstige evolutie en een preliminair reclasseringsparcours, de eiser zich in de eindfase van zijn strafuitvoering bevindt en het strafuitvoeringsdossier wordt geblokkeerd door de weigering van de gemeenteadministratie om zijn verblijfsaanvraag in te dienen zodat de eiser in “een juridisch limbo” verkeert. Het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 47 Wet Strafuitvoering: het vonnis motiveert de weigering van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit op algemene en abstracte wijze door te stellen dat er geen voldoende veilig reclasseringsplan voorligt en meer bepaald dat de nodige begeleiding ontbreekt bij VAGGA; het vonnis weigert evenwel ook om aan de eiser uitgaansvergunningen toe te kennen op grond van artikel 59 Wet Strafuitvoering om een intakegesprek mogelijk te maken bij VAGGA; bijgevolg is het vonnis tegenstrijdig gemotiveerd; de motivering is bovendien ontoereikend; het laat niet toe te begrijpen hoe de strafuitvoeringsrechtbank tot de beslissing is gekomen.
- Er blijkt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht grondt op de verblijfssituatie van de eiser. In zoverre het tweede middel berust op die onjuiste lezing van het vonnis, mist het feitelijke grondslag.
- Aangezien de strafuitvoeringsrechtbank de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht niet grondt op de verblijfssituatie van de eiser diende zij het doelloos verweer van de eiser op dit punt niet te beantwoorden. In zoverre kan het tweede middel niet worden aangenomen.
- Uit de enkele omstandigheid dat het strafeinde van een veroordeelde weldra zal worden bereikt, volgt niet dat hij hoe dan ook recht heeft op een strafuitvoeringsmodaliteit of dat de strafuitvoeringsrechtbank het voorhanden zijn van de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen anders zou moeten beoordelen. In zoverre het tweede middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het vonnis verwijst uitdrukkelijk naar het strafeinde van de eiser en naar de door hem voorgehouden familiale en maatschappelijke verankering. Daaruit blijkt dat de strafuitvoeringsrechtbank die gegevens bij haar beoordeling heeft betrokken. In zoverre berust het tweede middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- De afwijzing van een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit is regelmatig met redenen omkleed indien de strafuitvoeringsrechtbank vermeldt welke van de in artikel 47 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen voorhanden zijn en het de feitelijke gegevens vermeldt tot staving van die vaststelling. Niet is vereist dat de strafuitvoeringsrechtbank elk argument dat een veroordeelde aanvoert tot staving van zijn verzoek om de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit beantwoordt. In zoverre het tweede en derde middel uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
- Het vonnis oordeelt dat er geen voldoende veilig sociaal reclasseringsplan voorligt en dat meer bepaald minstens op het vlak van begeleiding het noodzakelijke element om het recidiverisico maximaal in te perken, ontbreekt. Aldus stelt het vonnis het voorhanden zijn vast van de in artikel 47, § 1, 1° (de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde) en 2° (het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten), Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen en vermeldt het concreet welke feitelijke gegevens die vaststelling staven. Die motivering is niet algemeen of abstract of ontoereikend, stelt het Hof in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en stelt de eiser wel degelijk in staat te begrijpen hoe de strafuitvoeringsrechtbank tot haar beslissing is gekomen. In zoverre kunnen het tweede en het derde middel niet worden aangenomen.
- Er is sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen.
- Het vonnis oordeelt eensdeels dat een intakegesprek bij VAGGA niet kon doorgaan omdat de eiser niet beschikte over uitgaansvergunningen en hij er nog steeds welkom is, maar dat het intakegesprek live moet plaatsvinden. Het oordeelt anderdeels dat niet kan worden ingegaan op het op artikel 59 Wet Strafuitvoering gegronde verzoek om een uitgaansvergunning om op intake te gaan bij VAGGA omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn om een uitgaansvergunning toe te kennen. Die oordelen doen elkaar niet teniet. In zoverre mist het derde middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div