← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.17 Rolnummer: P.25.1769.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-04-23 Raadplegingen: 427 - laatst gezien 2026-06-18 19:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 8 De toestand waarin hij die aan de procedure van een speekseltest en vervolgens aan die van een speekselanalyse wordt onderworpen teneinde na te gaan of hij zich schuldig heeft gemaakt aan het door artikel 37bis Wegverkeerswet bedoelde misdrijf valt niet te vergelijken met de toestand van hij die wordt onderworpen aan een ademanalyse welke een resultaat oplevert van minstens 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, wat een veroordeling wegens het door artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet kan opleveren, aangezien: (-) het sturen in een toestand van alcoholintoxicatie is slechts strafbaar vanaf een bepaald gehalte, terwijl het sturen onder invloed van in de wet bepaalde stoffen strafbaar is van zodra de aanwezigheid van dergelijke stoffen met zekerheid in het organisme is vastgesteld ongeacht het gehalte ervan, waarbij er wetenschappelijke zekerheid is betreffende die aanwezigheid van zodra de minimumgrenswaarde is bereikt, (-) tot het uitvoeren van een speekselanalyse wordt slechts overgegaan na het vaststellen van de uiterlijke tekens aan de hand van de gestandaardiseerde checklist en het afnemen van een speekseltest, waarbij slechts in een aantal zeer specifieke en hier niet aan de orde zijnde gevallen tot het afnemen van een bloedproef en een bloedanalyse wordt overgegaan, met dien verstande dat voor elk van deze drie opeenvolgende stappen geldt dat hij slechts kan worden aangevat als het resultaat van de vorige stap positief is, (-) de wetgever beoogt de vaststelling van het sturen onder invloed van de in de wet bepaalde stoffen via een vereenvoudigde procedure, (-) waar de wetgever voor de vaststelling van het misdrijf van strafbare alcoholintoxicatie in de zin van artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet door middel van het resultaat van een ademanalyse in een vorm van bijzonder gereglementeerde bewijslevering heeft voorzien, is dat niet zo voor het resultaat van een speekselanalyse; in dat laatste geval beoordeelt de rechter vrij de bewijswaarde van dit resultaat. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 37 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 61bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 63 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 34 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 61bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 63 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 61 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 61bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 63 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 61bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 63 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 63 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 61bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 63 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 61bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 63 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 61bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 63 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 61bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 63 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 9 - 11 Artikel 62ter, § 4, tweede lid, Wegverkeerswet voorziet wel degelijk in de mogelijkheid om een tegenexpertise te laten uitvoeren; de omstandigheid dat slechts één speekselstaal zou worden afgenomen, dat een dergelijke tweede analyse lang zou duren en dat er niet in de mogelijkheid is voorzien om een bloedproef te laten afnemen, tast het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, niet aan. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1769.N M. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Dens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 28 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en de artikelen 61bis, § 3 en 63, § 3, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis weigert een door de eiser opgeworpen prejudiciële vraag te stellen met de reden dat die vraag uitgaat van de foutieve veronderstelling dat de bestuurder onder invloed van strafbare alcoholopname zich in een gelijkaardige toestand bevindt als hij die stuurt onder invloed van drugs; nochtans zijn die situaties vergelijkbaar en zijn die redenen ontoereikend als motivering voor die afwijzing. De eiser verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 61bis, § 3, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet door aan de in artikel 59, § 1, Wegverkeerswet bedoelde overheidspersonen de verplichting op te leggen om op verzoek van personen bedoeld in 1° en 2° van dit artikel bij wijze van tegenexpertise, die personen een bloedproef te laten ondergaan wanneer er bij hen een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht werd gemeten, daar waar diezelfde mogelijkheid tot het vragen van een tegenexpertise en de plicht aan de bevoegde overheidspersonen om aan een dergelijk verzoek gevolg te geven niet wettelijk is voorzien, wanneer de aanvrager een persoon is bij wie een positieve speekseltest is afgenomen, terwijl het gebruik van de verboden middelen voorzien in artikel 37bis, § 1, Wegverkeerswet in de concentraties bedoeld in artikel 62ter (bij speekselanalyse vastgesteld) of 63, § 2 (bij bloedproef vastgesteld wanneer een speekseltest positief blijkt maar een speekselanalyse niet mogelijk is dan wel of noch speekselanalyse mogelijk zijn) tot een identieke strafrechtelijke veroordeling van de betrokkene kan leiden als degene die meer dan 0,35 mg/L UAL registreerde bij een tweede ademanalyse?”
  3. De aangevoerde miskenning van het gelijkheidsbeginsel bestaat in wezen erin en dit ongeacht de wijze waarop de voorgestelde prejudiciële vraag werd geformuleerd, dat ingeval de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht heeft gemeten er bij toepassing van artikel 63, § 3, Wegverkeerswet moet worden ingegaan op het verzoek van de betrokkene om bij wijze van tegenexpertise een bloedproef te ondergaan, terwijl ingeval van een positieve speekseltest gevolgd door een positieve speekselanalyse de betrokkene niet het recht heeft om een bloedproef te ondergaan, maar hij slechts bij toepassing van artikel 62ter, § 4, tweede lid, Wegverkeerswet een tweede speekselanalyse kan laten verrichten. Dat de wetgever voor beide strafbare feiten in eenzelfde bestraffing heeft voorzien, is niet relevant.
  4. In zoverre de prejudiciële vraag een vergelijking beoogt met een andere situatie dan die welke hier aan de orde is, namelijk een positieve speekselanalyse na een positieve speekseltest en gevolgd door een positieve tegenexpertise, behoeft ze niet te worden gesteld.
  5. De toestand waarin hij die aan de procedure van een speekseltest en vervolgens aan die van een speekselanalyse wordt onderworpen teneinde na te gaan of hij zich schuldig heeft gemaakt aan het door artikel 37bis Wegverkeerswet bedoelde misdrijf valt niet te vergelijken met de toestand van hij die wordt onderworpen aan een ademanalyse welke een resultaat oplevert van minstens 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, wat een veroordeling wegens het door artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet kan opleveren. Immers: - het sturen in een toestand van alcoholintoxicatie is slechts strafbaar vanaf een bepaald gehalte, terwijl het sturen onder invloed van in de wet bepaalde stoffen strafbaar is van zodra de aanwezigheid van dergelijke stoffen met zekerheid in het organisme is vastgesteld ongeacht het gehalte ervan, waarbij er wetenschappelijke zekerheid is betreffende die aanwezigheid van zodra de minimumgrenswaarde is bereikt; - tot het uitvoeren van een speekselanalyse wordt slechts overgegaan na het vaststellen van de uiterlijke tekens aan de hand van de gestandaardiseerde checklist en het afnemen van een speekseltest, waarbij slechts in een aantal zeer specifieke en hier niet aan de orde zijnde gevallen tot het afnemen van een bloedproef en een bloedanalyse wordt overgegaan, met dien verstande dat voor elk van deze drie opeenvolgende stappen geldt dat hij slechts kan worden aangevat als het resultaat van de vorige stap positief is; - de wetgever beoogt de vaststelling van het sturen onder invloed van de in de wet bepaalde stoffen via een vereenvoudigde procedure; - waar de wetgever voor de vaststelling van het misdrijf van strafbare alcoholintoxicatie in de zin van artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet door middel van het resultaat van een ademanalyse in een vorm van bijzonder gereglementeerde bewijslevering heeft voorzien, is dat niet zo voor het resultaat van een speekselanalyse. In dat laatste geval beoordeelt de rechter vrij de bewijswaarde van dit resultaat. De prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld.
  6. Gelet op dit antwoord heeft de eiser geen belang meer bij zijn kritiek op de door de appelrechters gegeven motivering om de prejudiciële vraag niet te stellen. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser zijn bloed niet heeft laten testen op cocaïne en verwerpt op grond van die vaststelling de bewijswaarde van de door de eiser voorgelegde bloedproef en kwalificeert zijn houding als niet coherent; die vaststelling is feitelijk onjuist; het labo-rapport vermeldt uitdrukkelijk een screening op cocaïne en het resultaat van die screening was negatief; het bestreden vonnis maakt melding van dit labo-rapport, wanneer het (p. 5) de door de eiser overgemaakte testresultaten bespreekt; de vaststelling dat de eiser zijn bloed vreemd genoeg niet liet testen op cocaïne is bijgevolg in strijd met de stukken waarop de appelrechters steunen.
  8. Het labo-rapport van 20 maart 2024 waarvan de eiser de miskenning van bewijskracht aanvoert, vermeldt niet dat eisers bloed werd getest op cocaïne. Het vermeldt alleen dat het urinestaal negatief testte op cocaïne en dat de creatinewaarde in de urine abnormaal laag was. De door het bestreden vonnis gegeven uitlegging van dit rapport is dan ook niet onverenigbaar met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  9. Voor het overige is het middel uit deze vergeefs aangevoerde wetschending afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de wapengelijkheid: het bestreden vonnis verwerpt eisers in een appelconclusie aangevoerde verweer over de betrouwbaarheid van de speekseltest en de bewijswaarde van de door hem voorgelegde negatieve bloedproef; door het door de eiser aangebrachte tegenbewijs te verwerpen op de enkele grond dat de Wegverkeerswet enkel voorziet in de speeksteltest en de speekselanalyse als bewijsmiddel in aanmerking komt, miskent het bestreden vonnis het recht van verdediging en het recht op tegenspraak; de eiser beschikt over geen enkel effectief middel van tegenexpertise; het vonnis hanteert ten onrechte de regel van het gebonden bewijs.
  11. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de eiser een negatieve bloedproef heeft overgelegd en dat het bestreden vonnis dit objectief en wetenschappelijk bewijselement à décharge uitsluit, heeft het dezelfde strekking als het tweede middel en moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen.
  12. Het bestreden vonnis oordeelt niet dat enkel de speekseltest als bewijs in aanmerking komt, het verwerpt het door de eiser aangebrachte tegenbewijs niet op die enkele grond en het oordeelt niet dat ter zake de regel van de vrije bewijswaardering niet geldt. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  13. Artikel 62ter, § 4, tweede lid, Wegverkeerswet voorziet wel degelijk in de mogelijkheid om een tegenexpertise te laten uitvoeren. De omstandigheid dat slechts één speekselstaal zou worden afgenomen, dat een dergelijke tweede analyse lang zou duren en dat er niet in de mogelijkheid is voorzien om een bloedproef te laten afnemen, tast het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, niet aan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Het bestreden vonnis beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de door de eiser overgelegde analyses. Het oordeelt met opgave van redenen waarom die gegevens niet van aard zijn om afbreuk te doen aan de resultaten van de speekselanalyse (positief voor cocaïne), die werd voorafgegaan door een positieve gestandaardiseerde checklist en een positieve speekseltest en die werd gevolgd door een eveneens positieve tegenexpertise (cocaïne), namelijk de irrelevantie van het resultaat betreffende cannabis, het niet-laten testen van het op 20 maart 2024 afgenomen bloed op cocaïne of benzoylecgonine, het gegeven dat de creatinewaarde in urine abnormaal laag was, wat kan wijzen op een al dan niet intentionele verdunning en het feit dat de collecte van urine dateert van meer dan negen uur na de feiten. Met die redenen verantwoordt het bestreden vonnis de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging A naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.