id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026
Art. 838
, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 2 - 3 De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of een wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt
(1).
(1)Zie arresten van dezelfde datum: AR P.26.0437.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.18, AR P.26.0438.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.21 en AR P.26.0442.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.20. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 838
, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 838
, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 4 - 5 De omstandigheid dat de rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek voor meerdere verzoekers eenzelfde motivering hanteert, houdt niet in dat zijn beoordeling geen individueel karakter heeft; de verzoekers kunnen zich immers in eenzelfde situatie bevinden. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 838
, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 838, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr.
P.26.0441.N S., verzoeker tot wraking, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2800 Mechelen, Edgard Tinellaan 6c, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 5 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 838 Gerechtelijk Wetboek: de loutere vaststelling dat een wrakingsverzoek werd neergelegd naar aanleiding van een door een bepaalde verdediging uitgelokt procedure-incident volstaat niet om te besluiten tot een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek; de geldboete waarin artikel 838, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek voorziet moet individueel worden opgelegd en moet ook individueel worden gemotiveerd; het arrest stelt niet vast dat de eiser tot dat deel van de verdediging behoorde dat het procedure-incident heeft uitgelokt (eerste onderdeel); opdat een geldboete kan worden opgelegd, moet worden vastgesteld dat het procesverloop werd verstoord, of dat werd beoogd de rechtsbedeling ernstig in het gedrang te brengen of dat het verzoek tot wraking een misbruik van rechtspleging vormt; het arrest oordeelt weliswaar dat de eiser geen andere bedoeling had dan om het verloop van de procedure stil te leggen en de goede werking van de rechtbank in het gedrang te brengen, maar het vermeldt niet op basis van welke redenen het hof van beroep tot dat oordeel komt (tweede onderdeel).
- Hoewel de wetgever het begrip kennelijk ongegrond wrakingsverzoek in de zin van artikel 838, derde lid, Gerechtelijk Wetboek niet heeft omschreven, blijkt uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling en de doelstelling om misbruiken en hinderlijke manoeuvres te vermijden, dat daarmee wrakingsverzoeken worden beoogd waarvan elk redelijk, normaal en voorzichtig verzoeker weet of moet weten dat ze onmogelijk kunnen slagen en dat hij daarmee de wrakingsprocedure van haar doel afwendt.
- De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek (hierna de wrakingsrechter) oordeelt daar onaantastbaar over.
- Het Hof gaat wel na of de wrakingsrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- De omstandigheid dat de wrakingsrechter voor meerdere verzoekers eenzelfde motivering hanteert, houdt niet in dat zijn beoordeling geen individueel karakter heeft. De verzoekers kunnen zich immers in eenzelfde situatie bevinden.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest baseert het oordeel over de kennelijke ongegrondheid van eisers wrakingsverzoek op de vaststelling dat dit verzoek werd neergelegd omwille van het gewettigd optreden van de rechter om wiens wraking werd gevraagd naar aanleiding van een door een bepaalde verdediging uitgelokt procedure-incident, dat het wrakingsverzoek geen andere bedoeling had dan het verloop van de procedure stil te leggen en dat dit de goede werking van de rechtbank in het gedrang bracht.
- De kennelijke ongegrondheid van eisers verzoek is bijgevolg niet gesteund op het oordeel dat de eiser zelf een procedure-incident heeft uitgelokt, maar wel op de vaststelling dat hij naar aanleiding van een uitgelokt procedure-incident en het gewettigd optreden van de rechter om wiens wraking werd verzocht betreffende dit incident, niettemin een wrakingsverzoek heeft ingediend. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Met het voormelde oordeel dat specifiek betrekking heeft op de eiser, geeft het arrest te kennen dat de eiser wist of moest weten dat zijn wrakingsverzoek onmogelijk kon slagen en dat hij daarmee de wrakingsprocedure van haar doel heeft afgewend.
- Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient het arrest die beslissing niet nader met redenen te omkleden.
- Op grond van de vermelde redenen kan het arrest wettig beslissen dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is en aan de eiser een burgerlijke geldboete opleggen.
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.20 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.18 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div