← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026

Art. 838

, derde en vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 838

, derde en vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 3 Hoewel de wetgever met de aanpassing van artikel 838 Gerechtelijk Wetboek door de wet van 28 november 2021 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken, het begrip kennelijk ongegrond wrakingsverzoek niet heeft omschreven, blijkt uit de wetsgeschiedenis en de doelstelling van de uitgebreide regeling om misbruiken en hinderlijke manoeuvres te vermijden, dat daarmee wrakingsverzoeken worden beoogd waarvan elk redelijk, normaal en voorzichtig verzoeker weet of moet weten dat ze onmogelijk kunnen slagen en dat hij daarmee de wrakingsprocedure van haar doel afwendt

(1).
(1)Zie arresten van dezelfde datum: AR P.26.0437.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.18,, AR P.26.0441.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.19 en AR P.26.0442.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.20. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 838

, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 4 - 5 De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of een wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt

(1).
(1)Zie arresten van dezelfde datum: AR P.26.0437.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.18,, AR P.26.0441.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.19 en AR P.26.0442.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.20. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 838

, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 838

, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 6 De omstandigheden dat (-) bepaalde feitelijkheden in het wrakingsverzoek concreet en nauwkeurig worden beschreven en de verzoeker tot wraking bij zijn verzoek stukken tot staving voegt, (-) de verzoeker tot wraking nooit eerder een wrakingsverzoek heeft ingediend, (-) de beslissing van de wrakingsrechter waarbij het wrakingsverzoek wordt verworpen, omvangrijk is, (-) het verloop van een rechtszitting zou hebben geleid tot publieke of journalistieke verontwaardiging, (-) de rechter raadslieden aan wie het woord niet was verleend, niet aankeek, (-) de rechter de rechtszitting niet heeft geschorst niettegenstaande hem was meegedeeld dat de stafhouder op vraag van bepaalde raadslieden onderweg was, (-) een navolgend wrakingsverzoek gegrond wordt verklaard, (-) het cassatieberoep tegen de beslissing van de wrakingsrechter wordt verworpen, zonder dat uit het cassatiearrest blijkt dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is, hebben, afzonderlijk en zelfs samengenomen, niet tot gevolg dat de rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek niet kan aannemen dat een wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is

(1).
(1)Zie arresten van dezelfde datum: AR P.26.0437.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.18,, AR P.26.0441.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.19 en AR P.26.0442.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.20. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 838, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr.

P.26.0438.N P., verzoekster tot wraking, beklaagde, aangehouden, eiseres, met als raadslieden mr. Joachim Meese en mr. Wahib El Hayouni, beiden advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 5 maart 2026 (nr. 2026/1577). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel

  1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 838, derde lid, Gerechtelijk Wetboek: met de overwegingen die het arrest bevat, is de beslissing om een geldboete op te leggen niet naar recht verantwoord; een procedure waarbij een geldboete kan worden opgelegd wegens een kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond wrakingsverzoek is in beginsel niet onverenigbaar met artikel 6.1 EVRM, maar wel is vereist dat het opleggen van een dergelijke sanctie een uitzonderlijk karakter heeft en dus restrictief wordt toegepast; het arrest dat het wrakingsverzoek heeft verworpen, bevat de volgende feitelijke vaststellingen, namelijk dat het verloop van de rechtszitting heeft geleid tot publieke en journalistieke verontwaardiging, de voorzitter de in zake zijnde advocaten niet aankeek en de voorzitter de behandeling van de zaak niet heeft geschorst in afwachting van de komst van de stafhouder, wat nochtans gebruikelijk is als zich een dergelijk incident voordoet; uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 blijkt dat de rechter om 10.43 u werd geïnformeerd dat de stafhouder binnen 30 minuten zou aanwezig zijn, het requisitoir van het openbaar ministerie verder doorgang vond in afwezigheid van de partijen en uit het proces-verbaal van vaststelling van een gerechtsdeurwaarder van 19 september 2025 blijkt dat de stafhouder arriveerde om 11.52 u en overleg had met de betrokken raadslieden, terwijl intussen het requisitoir verderging; in de conclusie van 18 februari 2026 die voor de eiseres werd neergelegd in de procedure betreffende de vordering van het openbaar ministerie tot het opleggen van een geldboete werd onder meer aangevoerd dat het verzoek tot wraking werd gesteund op gewettigde verdenking en een hoge graad van vijandschap en dat deze gronden concreet en nauwkeurig werden omschreven en dat de eiseres nooit eerder een verzoek tot wraking had ingediend en haar verzoek werd onderbouwd met diverse stukken; het arrest waarbij het wrakingsverzoek werd verworpen telt 33 pagina’s wat al veel is voor een beslissing over een verzoek dat kennelijk ongegrond zou zijn; dit arrest werd getoetst door het Hof; uit de motieven van het arrest van het Hof blijkt niet dat er sprake is van een kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, maar integendeel dat er sprake was een redelijke vraag of het hof van beroep uit de feitelijkheden op de rechtszitting wettig heeft kunnen afleiden dat het wrakingsverzoek ongegrond was; de beoordeling door het hof van beroep en het Hof was noodzakelijk voor het vertrouwen dat het gerecht in een democratische samenleving bij het publiek moet opwekken, gelet op de publieke of journalistieke verontwaardiging; zonder die beoordeling bestond het risico dat bij de publieke opinie een gewettigde vrees van partijdigheid zou hebben blijven bestaan op grond van de lezing van journalistieke commentaren in de brede pers; ten overvloede blijkt dat de rechtbank na de kwestieuze wrakingsprocedure de zaak in beraad heeft genomen zonder de partijen te horen of hen de mogelijkheid te geven tegenspraak te voeren, wat dan heeft geleid tot een wraking; dit toont aan dat de aanvoering van de eiseres dat er al eerder sprake was van vijandigheden jegens haar niet kennelijk ongegrond was.
  2. Artikel 6.1 EVRM en het daarin vervatte recht op een behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verzetten zich niet tegen een nationale regeling waarbij een partij die een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek indient, kan worden veroordeeld tot een burgerlijke geldboete van 15,00 tot 2.500,00 euro na een afzonderlijk debat waarbij zij verweer kan voeren.
  3. Het recht om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter in vraag te stellen heeft geen absoluut karakter. De wetgever kan in het belang van een goede rechtsbedeling de uitoefening van dit recht regelen en hij mag aan de rechter die moet oordelen over een wrakingsverzoek (hierna de wrakingsrechter) de bevoegdheid verlenen om kennelijk ongegronde wrakingsverzoeken te sanctioneren door het opleggen van een burgerlijke geldboete.
  4. Een dergelijke regeling tast de mogelijkheid voor een partij om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter in vraag te stellen via een wrakingsprocedure niet in de kern aan. Bovendien beschikt een partij ook over andere mogelijkheden om de onafhankelijkheid of de onpartijdigheid van de rechter in vraag te stellen.
  5. De wetgever heeft met de aanpassing van artikel 838 Gerechtelijk Wetboek door de wet van 28 november 2021 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken, de mogelijkheid voor de wrakingsrechter om misbruik van de wrakingsprocedure te sanctioneren bewust uitgebreid. Het opleggen van een dergelijke sanctie werd niet enkel mogelijk ingeval van een kennelijk onontvankelijk wrakingsverzoek, maar werd uitgebreid tot de gevallen van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek.
  6. Hoewel de wetgever bij die wetswijziging het begrip kennelijk ongegrond wrakingsverzoek niet heeft omschreven, blijkt uit de wetsgeschiedenis en de doelstelling van de uitgebreide regeling om misbruiken en hinderlijke manoeuvres te vermijden, dat daarmee wrakingsverzoeken worden beoogd waarvan elk redelijk, normaal en voorzichtig verzoeker weet of moet weten dat ze onmogelijk kunnen slagen en dat hij daarmee de wrakingsprocedure van haar doel afwendt.
  7. De wrakingsrechter oordeelt onaantastbaar of een wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is.
  8. De omstandigheden dat: - bepaalde feitelijkheden in het wrakingsverzoek concreet en nauwkeurig worden beschreven en de verzoeker tot wraking bij zijn verzoek stukken tot staving voegt; - de verzoeker tot wraking nooit eerder een wrakingsverzoek heeft ingediend; - de beslissing van de wrakingsrechter waarbij het wrakingsverzoek wordt verworpen, omvangrijk is; - het verloop van een rechtszitting zou hebben geleid tot publieke of journalistieke verontwaardiging; - de rechter raadslieden aan wie het woord niet was verleend, niet aankeek; - de rechter de rechtszitting niet heeft geschorst niettegenstaande hem was meegedeeld dat de stafhouder op vraag van bepaalde raadslieden onderweg was; - een navolgend wrakingsverzoek gegrond wordt verklaard; - het cassatieberoep tegen de beslissing van de wrakingsrechter wordt verworpen, zonder dat uit het cassatiearrest blijkt dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is; hebben, afzonderlijk en zelfs samengenomen, niet tot gevolg dat de wrakingsrechter niet kan aannemen dat een wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is.
  9. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Het arrest grondt het oordeel over het kennelijk ongegrond karakter van het wrakingsverzoek van de eiseres op de vaststelling dat het wrakingsverzoek werd ingediend omwille van het gewettigd optreden van de rechtbank naar aanleiding van een door bepaalde verdediging uitgelokt procedure-incident, waarbij dit wrakingsverzoek geen andere bedoeling had dan het verloop van de procedure stil te leggen en dit de goede werking van de rechtbank in het gedrang bracht. Op die grond kan het arrest wettig oordelen dat het wrakingsverzoek van de eiseres kennelijk ongegrond is en haar veroordelen tot een burgerlijke geldboete van 2.500,00 euro. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.19 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.20 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.