id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.25 Rolnummer: P.26.0502.N Zaak: Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-23 Raadplegingen: 446 - laatst gezien 2026-06-18 10:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Met een beschikking in de zin van artikel 30, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet wordt niet enkel de beschikking bedoeld waarbij de raadkamer zich uitspreekt over de handhaving van de voorlopige hechtenis, maar ook een beschikking waarbij op vraag van de inverdenkinggestelde wordt beslist de behandeling van de zaak uit te stellen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 1, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 1, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 3 Wanneer de inverdenkinggestelde hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer waarbij op zijn vraag wordt beslist de behandeling van de zaak uit te stellen, wordt de zaak door de devolutieve kracht van het hoger beroep van de inverdenkinggestelde in haar geheel onttrokken aan de rechtsmacht van de raadkamer en dient de kamer van inbeschuldigingstelling over de handhaving van de voorlopige hechtenis te oordelen; de omstandigheid dat de raadkamer zich niettemin toch heeft uitgesproken over de handhaving van de voorlopige hechtenis, laat niet toe anders te oordelen; zolang de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak heeft gedaan over het hoger beroep en voor zover zij die uitspraak doet binnen de in artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde termijn, vormt het door de onderzoeksrechter verleende bevel tot aanhouding de wettige titel voor de vrijheidsberoving van de inverdenkinggestelde aangezien de in artikel 21, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet opgenomen verplichting voor de raadkamer om uitspraak te doen binnen de vijf dagen na het bevel tot aanhouding immers bij toepassing van artikel 32 Voorlopige Hechteniswet geschorst is vanaf het verzoek om uitstel door de raadsman van de inverdenkinggestelde en vervolgens beschikt de kamer van inbeschuldigingstelling ingevolge het door de inverdenkinggestelde ingestelde hoger beroep bij toepassing van artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet over een termijn van vijftien dagen om uitspraak te doen over dit hoger beroep, termijn waarin de inverdenkinggestelde volgens die bepaling in hechtenis blijft. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 1, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 1, eerste lid, en § 3, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 32 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 4 Indien de kamer van inbeschuldigingstelling tijdig akte verleent van de afstand van het hoger beroep dat de inverdenkinggestelde heeft ingesteld tegen de raadkamerbeslissing waarbij de behandeling van de zaak wordt uitgesteld op verzoek van de raadsman van de inverdenkinggestelde, dan heeft het arrest waarbij de afstand wordt vastgesteld dezelfde gevolgen als een arrest dat de voorlopige hechtenis handhaaft in de zin van artikel 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet en levert dit arrest een titel van vrijheidsbeneming op voor een termijn van één maand; het is daarbij zonder belang dat het door de inverdenkinggestelde ingestelde hoger beroep onontvankelijk zou zijn geweest. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0502.N A. Z., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Nicolas Van Der Smissen, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein 5, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. FEITELIJKE GEGEVENS
- De onderzoeksrechter verleent op 4 februari 2026 tegen de eiser een bevel tot aanhouding.
- Op 6 februari 2026 stelt de raadkamer op verzoek van de raadsman van de eiser, die de eiser vertegenwoordigde, de behandeling van de zaak uit naar de rechtszitting van 10 februari 2026 om de raadsman in staat te stellen het dossier te consulteren.
- De raadsman van de eiser tekent op 9 februari 2026 hoger beroep aan tegen de voormelde uitstelbeslissing van de raadkamer van 6 februari
- De raadkamer oordeelt op 10 februari 2026 dat het bevel tot aanhouding regelmatig is en ze handhaaft de voorlopige hechtenis voor één maand. Tegen die beslissing wordt geen rechtsmiddel aangewend.
- Op de rechtszitting van 23 februari 2026 doet de raadsman afstand van zijn hoger beroep van 9 februari
- De kamer van inbeschuldigingstelling bekrachtigt bij arrest van die datum die afstand van hoger beroep.
- De raadkamer beveelt bij beschikking van 19 maart 2026 de invrijheidstelling van de eiser. De raadkamer oordeelt als volgt: - eisers voorlopige hechtenis werd het laatst verlengd bij beschikking van 10 februari 2026; - de eiser had weliswaar hoger beroep aangetekend tegen de beschikking tot uitstel van 6 februari 2026 en van die afstand van hoger beroep werd door de kamer van inbeschuldigingstelling bij arrest van 23 februari 2026 akte verleend, maar het hoger beroep was niet gericht tegen de handhavingsbeslissing van de raadkamer; - het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 februari 2026 waarbij de afstand van het hoger beroep tegen de uitstelbeslissing van 6 februari 2026 werd vastgesteld, is niet van aard om de voorlopige hechtenis te handhaven voor de duur van één maand; - aangezien de eiser reeds langer dan één maand in voorlopige hechtenis verblijft sinds de eerste handhavingsbeslissing van 10 februari 2026, zonder dat zijn voorlopige hechtenis door een nieuwe beslissing werd gehandhaafd, wordt hij in vrijheid gesteld.
- Met het thans bestreden arrest van 2 april 2026 hervormt de kamer van inbeschuldigingstelling op het hoger beroep van het openbaar ministerie de raadkamerbeschikking van 19 maart 2026 en beslist ze tot de handhaving van eisers hechtenis voor één maand. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 12 Grondwet en artikel 22 Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 februari 2026 waarbij de afstand wordt vastgesteld van het hoger beroep dat de eiser op 9 februari 2026 heeft ingesteld tegen de raadkamerbeschikking van 6 februari 2026 een beslissing is die de voorlopige hechtenis handhaaft; die regel geldt enkel indien de afstand betrekking heeft op een hoger beroep tegen een beslissing die de hechtenis handhaaft en niet tegen een beslissing om de behandeling van de handhavingsprocedure uit te stellen; een hoger beroep tegen een dergelijke uitstelbeslissing is van rechtswege onontvankelijk en kan geen rechtsgevolgen sorteren die vergelijkbaar zijn met een rechtsgeldig hoger beroep tegen een handhavingsbeslissing; de voorlopige hechtenis bleef in dat stadium van de procedure niet voortbestaan ingevolge een inhoudelijke rechterlijke beslissing tot handhaving, maar enkel bij toepassing van artikel 32 Voorlopige Hechteniswet dat bij een uitstel voorziet in een schorsing van de termijnen; ten onrechte wordt geoordeeld dat door het hoger beroep van de eiser van 9 februari 2026 tegen de uitstelbeslissing van 6 februari 2026 de raadkamer niet meer de mogelijkheid had om zich uit te spreken over de voorlopige hechtenis; de raadkamer heeft op 10 februari 2026 uitspraak gedaan over de toepassingsvoorwaarden van de Voorlopige Hechteniswet en heeft aldus geoordeeld dat zij rechtsmacht had en dat zij de enige geldige titel van vrijheidsberoving kon verlenen; op het ogenblik dat de raadkamer opnieuw uitspraak deed buiten de in artikel 22 Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn van één maand, met name op 19 maart 2026, was er geen wettelijke grondslag meer voor eisers voorlopige hechtenis en diende de eiser in vrijheid te worden gesteld; het arrest dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord.
- Artikel 6 EVRM is in beginsel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
- Artikel 30, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de inverdenkinggestelde hoger beroep kan instellen tegen de beschikking van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in onder meer artikel 21 Voorlopige Hechteniswet.
- Met een beschikking in de zin van deze bepaling wordt niet enkel de beschikking bedoeld waarbij de raadkamer zich uitspreekt over de handhaving van de voorlopige hechtenis, maar ook een beschikking waarbij op vraag van de inverdenkinggestelde wordt beslist de behandeling van de zaak uit te stellen.
- Door de devolutieve kracht van het hoger beroep van de inverdenkinggestelde wordt de zaak in haar geheel onttrokken aan de rechtsmacht van de raadkamer en dient de kamer van inbeschuldigingstelling over de handhaving van de voorlopige hechtenis te oordelen. De omstandigheid dat de raadkamer zich niettemin toch heeft uitgesproken over de handhaving van de voorlopige hechtenis, laat niet toe anders te oordelen.
- Zolang de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak heeft gedaan over het hoger beroep en voor zover zij die uitspraak doet binnen de in artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde termijn, vormt het door de onderzoeksrechter verleende bevel tot aanhouding de wettige titel voor de vrijheidsberoving van de inverdenkinggestelde. De in artikel 21, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet opgenomen verplichting voor de raadkamer om uitspraak te doen binnen de vijf dagen na het bevel tot aanhouding is immers bij toepassing van artikel 32 Voorlopige Hechteniswet geschorst vanaf het verzoek om uitstel door de raadsman van de inverdenkinggestelde en vervolgens beschikt de kamer van inbeschuldigingstelling ingevolge het door de inverdenkinggestelde ingestelde hoger beroep bij toepassing van artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet over een termijn van vijftien dagen om uitspraak te doen over dit hoger beroep, termijn waarin de inverdenkinggestelde volgens die bepaling in hechtenis blijft.
- Indien de kamer van inbeschuldigingstelling tijdig akte verleent van de afstand van het hoger beroep dat de inverdenkinggestelde heeft ingesteld tegen de raadkamerbeslissing waarbij de behandeling van de zaak wordt uitgesteld op verzoek van de raadsman van de inverdenkinggestelde, dan heeft het arrest waarbij de afstand wordt vastgesteld dezelfde gevolgen als een arrest dat de voorlopige hechtenis handhaaft in de zin van artikel 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet en levert dit arrest een titel van vrijheidsbeneming op voor een termijn van één maand. Het is daarbij zonder belang dat het door de inverdenkinggestelde ingestelde hoger beroep onontvankelijk zou zijn geweest.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest dat in die zin oordeelt, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div