id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.27 Rolnummer: P.26.0509.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-04-23 Raadplegingen: 413 - laatst gezien 2026-06-18 16:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Artikel 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over het hoger beroep dit moet doen rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak maar die verplichting van een geactualiseerde beoordeling moet op een redelijke wijze worden ingevuld; indien de kamer van inbeschuldigingstelling de redenen overneemt van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal moet in de regel worden aangenomen dat gelet op het beperkte tijdsverloop dat ligt tussen het uitbrengen van die vordering en de beslissing van het onderzoeksgerecht in hoger beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat die redenen nog steeds actueel zijn, ook al wordt dit niet uitdrukkelijk vermeld; de enkele omstandigheid dat er enige tijd is verstreken tussen het uitbrengen van die vordering en het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling ingevolge meerdere verzoeken door de inverdenkinggestelde om uitstel van behandeling om redenen die geen verband houden met de voortgang van het gerechtelijk onderzoek, laat niet toe anders te oordelen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 5 - 8 Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat het onderzoeksgerecht ter beantwoording van een in een conclusie van een inverdenkinggestelde ontwikkeld verweer de redenen overneemt die zijn opgenomen in de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie; door die overname eigent het onderzoeksgerecht zich die redenen toe en blijkt dat het onderzoeksgerecht een eigen beoordeling heeft gemaakt en een dergelijke wijze van motiveren belet het Hof niet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0509.N R. R., inverdenkinggstelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest neemt de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie van 6 maart 2026 over; het bevat geen andere redenen; bijgevolg doet het arrest geen uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van die uitspraak; het arrest moet rekening houden met de omstandigheden van de zaak zoals die zich hebben ontwikkeld sinds de beroepen raadkamerbeschikking van 3 maart 2026; uit het arrest zelf blijkt niet dat het appelgerecht een actualiteitscontrole heeft uitgevoerd.
- Artikel 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over het hoger beroep dit moet doen rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak. Die verplichting van een geactualiseerde beoordeling moet op een redelijke wijze worden ingevuld.
- Indien de kamer van inbeschuldigingstelling de redenen overneemt van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal moet in de regel worden aangenomen dat gelet op het beperkte tijdsverloop dat ligt tussen het uitbrengen van die vordering en de beslissing van het onderzoeksgerecht in hoger beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat die redenen nog steeds actueel zijn, ook al wordt dit niet uitdrukkelijk vermeld. De enkele omstandigheid dat er enige tijd is verstreken tussen het uitbrengen van die vordering en het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling ingevolge meerdere verzoeken door de inverdenkinggestelde om uitstel van behandeling om redenen die geen verband houden met de voortgang van het gerechtelijk onderzoek, laat niet toe anders te oordelen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4° en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet eisers in zijn appelconclusie aangevoerd verweer over de afwezigheid van gevaar voor recidive, collusie, onttrekking en het wegmaken van bewijzen; de overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal gevolgd door de overweging dat de in die vordering opgenomen redenen inzake het gevaar voor recidive, collusie, onttrekking en het wegmaken van bewijzen niet worden ontkracht door wat in eisers appelconclusie is gesteld, is een louter algemene overweging die niet inhoudelijk antwoordt op een concreet en met feitelijke gegevens onderbouwd verweer; de gehanteerde motivering is niet specifiek maar louter een stijlformule; bovendien worden de redenen van een “verouderde” vordering overgenomen zonder enige eigen motivering; er blijkt niet dat de appelrechters een eigen beoordeling hebben gemaakt; het Hof is niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat het onderzoeksgerecht ter beantwoording van een in een conclusie van een inverdenkinggestelde ontwikkeld verweer de redenen overneemt die zijn opgenomen in de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie. Door die overname eigent het onderzoeksgerecht zich die redenen toe en blijkt dat het onderzoeksgerecht een eigen beoordeling heeft gemaakt. Een dergelijke wijze van motiveren belet het Hof niet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aangevoerde wetsschending, is het niet ontvankelijk.
- In de vordering van de procureur-generaal wordt op gedetailleerde wijze en met concrete en specifiek op de eiser betrekking hebbende elementen aangevoerd dat er een manifest gevaar is voor recidive, er een onttrekkingsgevaar is, er een risico bestaat dat de eiser zich met derden zal verstaan, zoals de met naam genoemde inverdenkinggestelden en dat de eiser bewijzen zou kunnen wegmaken. In zijn appelconclusie (p. 3-4) heeft de eiser het bestaan van die gevaren betwist omdat ze ofwel theoretisch zouden zijn of omdat er geen aanwijzingen voor zouden zijn en dit met verwijzing naar bepaalde feitelijkheden. Het onderzoeksgerecht beantwoordt en verwerpt dit louter feitelijk verweer met het oordeel dat wat wordt aangevoerd niet van aard is om de in de vordering van de procureur-generaal vermelde vaststellingen te ontkrachten. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div