← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 28, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 28, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: WETTEN.

DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 28, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiche 5 Volgens artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep tegen een vonnis op tegenspraak indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die uitspraak; de in die bepaling voorgeschreven sanctie van het verval van het hoger beroep is niet afhankelijk van de omstandigheid dat de appellant tijdig werd geïnformeerd over de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen en over de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te gebeuren. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.

P.26.0021.N G. C., gedaagde tot herroeping van probatie-uitstel van tenuitvoerlegging, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 december 2025 (C/1937/2025). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel

  1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat het door de eiser op 14 augustus 2025 aangetekende hoger beroep tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van 2 juni 2025 laattijdig werd ingesteld en de eiser in dit verband geen grond van overmacht of onoverkomelijke dwaling inroept en het hof van beroep een dergelijke grond ook niet ontwaart, verantwoordt het arrest niet naar recht dat eisers hoger beroep onontvankelijk moet worden verklaard; het arrest houdt immers geen rekening met het gegeven dat de eiser niet in kennis werd gesteld van de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen, noch over de wijze waarop en de termijn binnen welke dat diende te gebeuren; die kennisgeving is ook vereist wanneer het beroepen vonnis op tegenspraak werd gewezen, zoals blijkt uit het arrest nr. 176/2025 van het Grondwettelijk Hof van 18 december 2025, waarin werd geoordeeld dat het feit dat een op tegenspraak gewezen vonnis in strafzaken niet dient te worden betekend aan de veroordeelde opdat de beroepstermijn begint te lopen, niet wegneemt dat het recht op een eerlijk proces ook in zulk een situatie vereist dat de mogelijkheden en termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden, zo expliciet mogelijk aan de veroordeelde ter kennis worden gebracht; er anders over oordelen getuigt van excessief formalisme en doet afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter.
  2. In het arrest nr. 176/2025 van 18 december 2025 zegde het Grondwettelijk Hof naar aanleiding van een prejudiciële vraag voor recht dat: - artikel 203 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, maar uitsluitend in zoverre het ertoe leidt dat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een op tegenspraak gewezen vonnis een aanvang neemt vanaf de uitspraak, zelfs wanneer de veroordeelde naar aanleiding daarvan niet is geïnformeerd over de mogelijkheid om dat rechtsmiddel aan te wenden, noch over de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te gebeuren; - de ontstentenis van een wetsbepaling die vaststelt op welke wijze de voormelde informatie met betrekking tot de rechtsmiddelen aan de veroordeelde dient te worden meegedeeld, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM; - de gevolgen van artikel 203 Wetboek van Strafvordering worden gehandhaafd tot de aanneming, door de wetgever, van een regeling die de vastgestelde ongrondwettigheid verhelpt, en uiterlijk tot en met 31 december
  3. Met betrekking tot de handhaving van de gevolgen van de voormelde ongrondwettigheid, oordeelde het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 176/2025 (overw. B.13) meer in het bijzonder dat, teneinde de rechtszekerheid te vrijwaren en de wetgever de nodige tijd te laten om de nadere regels inzake de informatie met betrekking tot de rechtsmiddelen te bepalen, de gevolgen van artikel 203 Wetboek van Strafvordering dienen te worden gehandhaafd zoals voormeld.
  4. Gelet op de bij toepassing van artikel 28, tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof door het arrest nr. 176/2025 bevolen handhaving van het ongrondwettig bevonden artikel 203 Wetboek van Strafvordering, waaraan de wetgever uiterlijk op 31 december 2026 dient te verhelpen, dienden de appelrechters niet na te gaan of de eiser tijdig werd geïnformeerd over de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen en over de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te gebeuren. De appelrechters hebben het arrest immers gewezen vóór 31 december 2026, op een ogenblik dat de wetgever de vastgestelde ongrondwettigheid van artikel 203 Wetboek van Strafvordering nog niet heeft verholpen.
  5. Volgens artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep tegen een vonnis op tegenspraak indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die uitspraak. De in die bepaling voorgeschreven sanctie van het verval van het hoger beroep is niet afhankelijk van de omstandigheid dat de appellant tijdig werd geïnformeerd over de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen en over de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te gebeuren.
  6. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.