← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.6 Rolnummer: P.26.0451.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-23 Raadplegingen: 371 - laatst gezien 2026-06-18 10:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Ingeval van een herroeping van een door de strafuitvoeringsrechter overeenkomstig de in hoofdstuk I “De noodprocedure strafuitvoeringsrechter” van titel XIIquater “Tijdelijke bepalingen” van de Wet Strafuitvoering toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling is in beginsel artikel 68, § 5, derde en vierde lid, Wet Strafuitvoering van toepassing en dit niettegenstaande in het derde lid wordt verwezen naar een nieuw verzoek van de veroordeelde; de in artikel 68, § 5, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalde verplichting voor de strafuitvoeringsrechter om een datum te bepalen voor een nieuw verzoek of een nieuw ambtshalve advies geldt volgens de tekst van deze bepaling niet in het geval de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de eerder toegekende strafuitvoeringsmodaliteit. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5, derde en vierde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/27 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 109/1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0451.N E. P.M., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 24 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 98/15 Wet Strafuitvoering: het vonnis oordeelt onterecht dat de directeur een nieuw advies mag uitbrengen vanaf 24 mei 2026; de directeur mag een advies uitbrengen uiterlijk twee maanden voor dat de veroordeelde in de tijdsvoorwaarden is voor de voorwaardelijke invrijheidstelling; het vonnis stelt vast dat de eiser op 1 juli 2026 in de tijdsvoorwaarden zal zijn voor een voorwaardelijke invrijheidstelling; derhalve dient de directeur uiterlijk op 30 april 2026 advies uit te brengen.
  3. Op een veroordeelde tot een of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt is het hoofdstuk I De noodprocedure strafuitvoeringsrechter van titel XIIquater Tijdelijke bepalingen van toepassing. Behoudens artikel 98/27 Wet Strafuitvoering bevat dit hoofdstuk geen bepalingen betreffende de herroeping van een door de strafuitvoeringsrechter toegekende strafuitvoeringsmodaliteit.
  4. Artikel 98/15 Wet Strafuitvoering betreft de termijn waarbinnen de directeur ambtshalve advies kan uitbrengen over de voorwaardelijke invrijheidstelling. Die bepaling maakt geen melding van het geval dat de strafuitvoeringsrechter een toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling heeft herroepen. Die bepaling is dan ook vreemd aan de aangevoerde onwettigheid.
  5. Artikel 109/1 Wet Strafuitvoering vermeldt bij de bepalingen van de Wet Strafuitvoering die tot 1 juni 2030 niet van toepassing zijn op de veroordeelde tot een of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt, niet artikel 68 Wet Strafuitvoering.
  6. Daaruit volgt dat ingeval van een herroeping van een door de strafuitvoeringsrechter overeenkomstig de in hoofdstuk I De noodprocedure strafuitvoeringsrechter van titel XIIquater Tijdelijke bepalingen toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling artikel 68, § 5, derde en vierde lid, Wet Strafuitvoering in beginsel van toepassing is en dit niettegenstaande in het derde lid wordt verwezen naar een nieuw verzoek van de veroordeelde.
  7. De in artikel 68, § 5, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalde verplichting voor de strafuitvoeringsrechter om een datum te bepalen voor een nieuw verzoek of een nieuw ambtshalve advies geldt volgens de tekst van deze bepaling niet in het geval de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de eerder toegekende strafuitvoeringsmodaliteit.
  8. Het vonnis stelt vast dat de eiser niet meer in de tijdsvoorwaarden is voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. De strafuitvoeringsrechter diende derhalve geen datum te bepalen vanaf wanneer de directeur een nieuw advies kan uitbrengen. De beslissing waarbij een datum wordt bepaald voor een nieuw advies schendt artikel 68, § 5, derde lid, Wet Strafuitvoering. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
  9. De vernietiging blijft beperkt tot de beslissing dat de directeur een nieuw advies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling kan uitbrengen vanaf 24 mei
  10. Deze vernietiging geschiedt zonder verwijzing. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het bepaalt dat de directeur een nieuw advies mag uitbrengen tot voorwaardelijke invrijheidstelling vanaf 24 mei
  12. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.