id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.9 Rolnummer: P.26.0513.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-23 Raadplegingen: 392 - laatst gezien 2026-06-18 16:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0513.N R. P., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 31 maart 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis wijst het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied af op onder meer de overweging dat de eiser weigert terug te keren naar Roemenië; die motivering sluit aan bij het negatieve advies van de directie; uit het dossier blijkt nochtans dat dit uitgangspunt voor de uitspraak uitdrukkelijk werd tegengesproken en dat daarmee strijdige elementen aan de strafuitvoeringsrechter werden overgelegd; door de justitieel welzijnswerker werd schriftelijk bevestigd dat de eiser had verklaard dat hij vrijwillig wilde terugkeren naar Roemenië, die informatie werd op 29 januari 2026 door de raadsman aan de strafuitvoeringsrechtbank bezorgd, met het uitdrukkelijk verzoek om daarmee rekening te houden; de strafuitvoeringsrechter had kennis van deze gegevens; het vonnis verwijst evenwel op geen enkele manier naar deze gegevens; de motiveringsplicht houdt in dat de strafuitvoeringsrechter moet antwoorden op de relevante stukken die door de partijen worden overgelegd en die van aard zijn de beslissing te beïnvloeden; het vonnis laat een doorslaggevend verweer onbeantwoord; door de volledige afwezigheid van enig motief op dit punt is het Hof in de onmogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; de genomen beslissing is ook in strijd met deze stukken; door een feitelijke premisse aan te nemen die wordt tegengesproken door meerdere consistente en formeel overgemaakte stukken zonder enige nadere verklaring, miskent het vonnis verder de bewijskracht van die stukken. 2. Artikel 98/6, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het hoofdstuk I (De noodprocedure strafuitvoeringsrechter) van titel XIIquater (Tijdelijke bepalingen) Wet Strafuitvoering van toepassing is op de veroordeelde tot een of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt, ten aanzien van wie de bepalingen van deze wet overeenkomstig artikel 109/1 Wet Strafuitvoering niet van toepassing zijn. 3. Artikel 98/6, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter aan de in het eerste lid bedoelde veroordeelde een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied toekent op de in dit hoofdstuk bepaalde wijze en onder de daarin bepaalde voorwaarden en meer bepaald volgens de artikelen 98/11, 98/12, 98/13, 98/15, 98/16, 98/18, 98/19, 98/20, 98/21, 98/22, 98/25 en 98/26. 4. Deze vereenvoudigde noodprocedure voorziet niet in de mogelijkheid dat een veroordeelde of zijn raadsman stukken toestuurt aan de strafuitvoeringsrechter, maar verbiedt dit ook niet. 5. De strafuitvoeringsrechter omkleedt de weigering om bij toepassing van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied toe te kennen regelmatig met redenen met de vaststelling dat de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden voorhanden is en door te vermelden op welke feitelijke gegevens hij die vaststelling steunt. Een dergelijke motivering laat het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. 6. Noch uit artikel 149 Grondwet noch uit enige bepaling van de Wet Strafuitvoering volgt voor de strafuitvoeringsrechter een meer uitgebreide motiveringsverplichting. Het is dan ook niet vereist dat de strafuitvoeringsrechter antwoordt op hem toegestuurde stukken. 7. Uit het enkele feit dat de strafuitvoeringsrechter geen melding maakt van door een veroordeelde ingediende stukken, volgt overigens niet dat hij die stukken niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. 8. Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet vereist redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. Een tegenstrijdigheid tussen de rechterlijke beslissing en de inhoud van een door een partij ingediende stukken levert niet een dergelijk motiveringsgebrek op. 9. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij het geschrift doet liegen. De rechter die geen standpunt inneemt over ingediende stukken, kan de bewijskracht van die stukken niet miskennen. 10. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 21 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260421.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.