id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260423.1N.10 Rolnummer: F.25.0007.N Zaak: BELGISCHE STAAT FOD Financiën c. PROPULSION SYSTEMS bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-05-11 Raadplegingen: 823 - laatst gezien 2026-06-18 18:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de inkomstenbelastingen of de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, mogen zich geen toegang tot bedrijfslokalen verschaffen zonder voorafgaande toestemming van de belastinngplichtige; de toestemming van de belastingplichtige dient blijvend aanwezig te zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315bis, eerste en derde lid Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315ter Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 61, §§ 1 en 2 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63, eerste en derde lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315bis, eerste en derde lid Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315ter Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 61, §§ 1 en 2 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63, eerste en derde lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiches 3 - 4 Indien de belastingplichtige een vennootschap is moet de toestemming om de bedrijfslokalen te betreden gegeven worden door het daartoe bevoegde orgaan van de rechtspersoon of door degene aan wie de rechtspersoon een daartoe strekkende volmacht heeft gegeven of van wie de ambtenaren redelijkerwijze mochten veronderstellen dat hij hiertoe bevoegd was
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315bis, eerste en derde lid Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315ter Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 61, §§ 1 en 2 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63, eerste en derde lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315bis, eerste en derde lid Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315ter Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 61, §§ 1 en 2 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63, eerste en derde lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiches 5 - 6 Het staat aan de fiscale administratie om door alle middelen van recht, met uitzondering van de eed, aan te tonen dat de belastingplichtige, zijn gemachtigde of degene van wie de ambtenaren redelijkerwijze mochten veronderstellen dat hij hiertoe bevoegd was, voorafgaandelijk aan de onderzoeksverrichtingen toestemming heeft gegeven om de bedrijfslokalen te betreden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315bis, eerste en derde lid Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315ter Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 61, §§ 1 en 2 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63, eerste en derde lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315bis, eerste en derde lid Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 315ter Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 61, §§ 1 en 2 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63, eerste en derde lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiches 7 - 9 In de gevallen waarin het bewijs door vermoedens wettelijk is toegestaan, beoordeelt de rechter in feite de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij zijn beslissing steunt; het Hof gaat evenwel na of de rechter het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet heeft miskend en, meer bepaald of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen heeft afgeleid die daarmee geen verband houden dan wel op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.1.9° - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.29 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.1.9° - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.29 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Vermoedens Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.1.9° - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.29 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Tekst van de beslissing Nr. F.25.0007.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1853 Strombeek-Bever, Temselaan 100A, waar de eiser woonplaats kiest, tegen PROPULSION SYSTEMS bv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Alfred Duboisstraat 25, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0478.198.221, verweerster, met als raadslieden mr. Christophe Dillen en mr. Vincent Vercauteren, advocatenaan de balie Antwerpen, beiden met kantoor te 2600 Berchem, Grotesteenweg 214 bus
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 11 september
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 23 januari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Derde subonderdeel
- Krachtens artikel 61, § 1, vierde lid, Btw-wetboek heeft de administratie, wanneer de boeken, facturen en andere stukken in een elektronisch formaat worden bewaard, het recht zich de op de informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen. Deze administratie kan eveneens de in het eerste lid bedoelde persoon verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopieën te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan. Krachtens artikel 61, § 2, Btw-wetboek heeft de administratie het recht om de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, te behouden, telkens wanneer zij meent dat de boeken, stukken of kopieën de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen. Krachtens artikel 63, eerste lid, Btw-wetboek moet eenieder die een economische activiteit uitoefent, aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen: 1° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden; 2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm; 3° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangesteld personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van productie- en vervoermiddelen. Krachtens artikel 63, derde lid, Btw-wetboek mogen die ambtenaren, met hetzelfde doel, eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit wetboek bedoelde handelingen worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur ’s morgens en negen uur ’s avonds en uitsluitend met machtiging van de politierechter. Krachtens artikel 315bis, eerste lid, WIB92 zijn de natuurlijke personen en rechtspersonen die een beroep doen op een informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat om de boeken en bescheiden waarvan de voorlegging is voorgeschreven door artikel 315, geheel of ten dele, te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren, verplicht, op verzoek van de administratie, ter plaatse, de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma’s en het beheer van het gebruikte systeem, alsook de informatiedragers en alle gegevens die zij bevatten, ter inzage voor te leggen. Krachtens artikel 315bis, derde lid, WIB92 zijn de betrokken personen, wanneer de administratie hen erom verzoekt, verplicht op hun uitrusting en in bijzijn van de ambtenaren van de administratie, kopies te maken in de door die ambtenaren gewenste vorm van het geheel of een deel van voormelde gegevens, alsook de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen. Krachtens artikel 315ter WIB92 hebben de ambtenaren het recht om deze boeken te behouden, telkens wanneer zij menen dat ze nodig zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige of van derden te bepalen. Krachtens artikel 319, eerste lid, WIB92 zijn natuurlijke of rechtspersonen gehouden aan de ambtenaren van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen, tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen of de lokalen waar rechtspersonen hun werkzaamheden uitoefenen, zoals kantoren, fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen, magazijnen, bergplaatsen, garages of tot hun terreinen welke als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dienst doet, ten einde aan die ambtenaren enerzijds de mogelijkheid te verschaffen de aard en de belangrijkheid van de bedoelde werkzaamheden vast te stellen en het bestaan, de aard en de hoeveelheid na te zien van de voorraden en voorwerpen van alle aard welke die personen er bezitten of er uit enigen hoofde onder zich hebben, met inbegrip van de installaties en het rollend materieel en anderzijds de bovenbedoelde ambtenaren in staat te stellen om alle boeken en bescheiden die zich in de voornoemde lokalen bevinden, te onderzoeken. Krachtens artikel 319, tweede lid, WIB92 mogen de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, voorzien van hun aanstellingsbrief, wanneer zij met dezelfde taak belast zijn, vrije toegang eisen tot alle andere lokalen, gebouwen, werkplaatsen of terreinen die niet bedoeld zijn in het eerste lid en waar werkzaamheden verricht of vermoedelijk verricht worden. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel alleen toegang tussen vijf uur ’s morgens en negen uur ’s avonds en met machtiging van de rechter in de politierechtbank. Krachtens artikel 319, derde lid, WIB92 mogen de voormelde ambtenaren, voorzien van hun aanstellingsbewijs, door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de personen als vermeld in artikel 315bis, derde lid, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door inzonderheid de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
- De ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de inkomstenbelastingen of de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, mogen zich geen toegang tot bedrijfslokalen verschaffen zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige. De toestemming van de belastingplichtige dient blijvend aanwezig te zijn.
- Indien de belastingplichtige een vennootschap is moet de toestemming om de bedrijfslokalen te betreden gegeven worden door het daartoe bevoegde orgaan van de rechtspersoon of door degene aan wie de rechtspersoon een daartoe strekkende volmacht heeft gegeven of van wie de ambtenaren redelijkerwijze mochten veronderstellen dat hij hiertoe bevoegd was.
- Het staat aan de fiscale administratie om door alle middelen van recht, met uitzondering van de eed, aan te tonen dat de belastingplichtige, zijn gemachtigde of degene van wie de ambtenaren redelijkerwijze mochten veronderstellen dat hij hiertoe bevoegd was, voorafgaandelijk aan de onderzoeksverrichtingen toestemming heeft gegeven om de bedrijfslokalen te betreden.
- Het subonderdeel dat aanvoert dat, gelet op de medewerkingsplicht van de belastingplichtige in het kader van een fiscale visitatie, de blijvende toestemming van de belastingplichtige of zijn gevolmachtigde wordt geacht aanwezig te zijn wanneer aan de bevoegde ambtenaren, voorzien van hun aanstellingsbewijs, de vrije toegang tot de bedrijfslokalen wordt verleend, zodat het aan de belastingplichtige die aanvoert dat de toestemming niet of niet rechtsgeldig werd verleend of werd ingetrokken, toekomt om dat vermoeden te weerleggen en aan te tonen dat hij zich tegen de visitatie heeft verzet, faalt naar recht. Tweede subonderdeel
- Krachtens artikel 8.1.9°, Burgerlijk Wetboek wordt verstaan onder een feitelijk vermoeden een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten. Krachtens artikel 8.29 Burgerlijk Wetboek wordt de bewijswaarde van feitelijke vermoedens overgelaten aan het oordeel van de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten.
- In de gevallen waarin het bewijs door vermoedens wettelijk is toegestaan, beoordeelt de rechter in feite de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij zijn beslissing steunt. Het Hof gaat evenwel na of de rechter het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet heeft miskend en, meer bepaald of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen heeft afgeleid die daarmee geen verband houden dan wel op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - het proces-verbaal van 5 juli 2022 onder meer stelt dat de dienstdoende ambtenaren op de zetel van de verweerster ontvangen werden door G. die stelde finance manager te zijn “handelend in de hoedanigheid van zaakwaarnemer in afwezigheid van de zaakvoerder (…) en die eveneens verklaarde gemachtigd te zijn om [de verweerster] te vertegenwoordigen, in het bijzonder in zijn relatie tot de fiscale administratie”; - de verweerster dit ontkent; - in het dossier geen sprake is van enige schriftelijke volmacht aan deze dame door de verweerster tot vertegenwoordiging van haar door deze dame; - het proces-verbaal voortgaat met de melding van de start en het verloop van de uitvoeringsverrichtingen, met aanduiding van G. als geverbaliseerde; - het proces-verbaal eindigt met de melding dat de zaakvoerder van de verweerster om 17.17 u in samenspraak met haar raadsman de ambtenaren van de eiser zegt geen toestemming te geven voor hun aanwezigheid in de lokalen van de verweerster; - het proces-verbaal niet werd ondertekend door G. en melding maakt van een verbod tot tekenen van de zaakvoerder van de verweerster; - het proces-verbaal van 29 augustus 2022 minder stellig is over die ‘toestemming’ van G.; - deze (…) erbij gehaald wordt door een andere aanwezige en het proces-verbaal voortgaat met de volgende melding: “G. geeft aan dat ze zich niet heeft kunnen voorbereiden op de visitatie. Ze verklaart het werk van een e-audit team te kennen en de zaakvoerder te hebben gewaarschuwd voor dit type van fiscale visitatie. Ze verklaart daarnaast op de hoogte te zijn van de onderzoeksbevoegheden van de fiscale ambtenaren en deelt ons mee dat ze het jammer vindt dat deze visitatie net nu plaatsvindt aangezien de zaakvoerders momenteel op vakantie zijn in het buitenland”; - dit proces-verbaal vervolgt met te verhalen hoe de visitatie verder is verlopen.
- De appelrechters oordelen vervolgens dat: - de eiser aldus geen rechtsgeldig gegeven toestemming bewijst van de verweerster, voorafgaand aan de onderzoeksverrichtingen; - er geen weergave is van enige afzonderlijk verhoor van deze G. op de dag van de verrichting; - er geen bewijs is van enige volmacht gegeven door een bevoegde persoon tot vertegenwoordiging van de verweerster op die dag aan deze (…) en ook geen lastgeving tot vertegenwoordiging door haar van de verweerster, in het bijzonder niet nopens de uitvoering van de fiscale verplichtingen van de verweerster als bedoeld in de vermelde wetsbepalingen; - het feit dat in het proces-verbaal van 5 juli 2022 sprake is van een toestemming door haar niet berust op enige bewezen toerekening van die toestemming aan de verweerster; - een mandaat aan haar niet bewezen wordt; - ook niet is aangetoond dat de ambtenaren hebben verzocht of er een persoon was, bevoegd om toestemming te geven voor de verweerster voorafgaand aan de uitvoeringsmaatregelen; - er geen aanwijzingen zijn die erop kunnen duiden dat de ambtenaren voorafgaand opzoekingen hebben gedaan nopens de identiteit van de organen van de vennootschap, hun contactgegevens; - het proces-verbaal van 5 juli 2022 ook geen melding maakt van de wijze waarop de dienstdoende ambtenaren hebben geverifieerd hoe deze bereikt konden worden op 5 juli 2022 in de ochtend indien al niet aanwezig in de vennootschap en evenmin nopens hetgeen is ondernomen ter verwittiging van de aanvang van de onderzoeksverrichtingen en de te verlenen toestemming inzake de medewerkingsverplichting voornoemd; - geen geldige toestemming verleend blijkt te zijn door de verweerster zelf en dit ook niet impliciet; - een melding in het proces-verbaal pas opgesteld op 29 augustus 2022 over enige verwittiging van een zaakvoerder van de verweerster op de dag van de verrichtingen om 10u00 zodanig laattijdig is opgesteld ten opzichte van de verrichtingen zelf, dat daaruit geen verdere conclusie van rechtmatige toestemming afgeleid kan worden en dit al helemaal niet bij de aanvang van de onderzoeksverrichtingen; - zelfs nu G. zich niet verzette tegen de start van de onderzoeksverrichtingen, blijft gelden dat geen toestemming ervoor werd bewezen door de eiser; - enkel nu wordt vastgesteld dat een niet-verzet tegen de verrichtingen door deze (…) niet toerekenbaar is aan de verweerster zelf en dat enige rechtsgeldige toestemming niet uit de vaststellingen opgetekend in het proces-verbaal kan afgeleid worden; - de noodzakelijke toestemming tot het aanvangen en uitvoeren van de geviseerde onderzoeksverrichtingen niet bewezen is, evenmin als de verwittiging van haar organen, bevoegd tot haar vertegenwoordiging; - dit leidt tot de vaststelling van de onregelmatigheid van de uitoefening van de onderzoeksverrichtingen en tot de onrechtmatigheid van de gegevensverzameling in het verloop ervan.
- Uit voormelde vaststellingen en redenen konden de appelrechters, zonder het wettelijk begrip feitelijk vermoeden te miskennen, afleiden dat er geen geldige toestemming is verleend door de verweerster zelf via G., voorafgaand aan en tijdens de onderzoeksverrichtingen en dat niet aangetoond is dat G. gemachtigd was om de verweerster tijdens de visitatie te vertegenwoordigen. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste subonderdeel
- Het subonderdeel dat aanvoert dat de eiser op basis van de vaststellingen in de betreffende processen-verbaal, zoals aangehaald in het arrest, redelijkerwijze ervan mocht uitgaan dat G, die de bevoegde ambtenaren zonder voorbehoud of verzet (ten minste tot 17u17) heeft ontvangen in de beroepslokalen van de verweerster, gemachtigd was om de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen en namens de verweerster uitvoering te geven aan de wettelijke medewerkingsverplichting, en dat het arrest bijgevolg niet wettig heeft beslist tot de onregelmatigheid van de uitoefening van de onderzoeksverrichtingen en van de gegevensinzameling, vereist een beoordeling van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is niet ontvankelijk. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 395,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 23 april 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260423.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div