id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.9 Rolnummer: P.25.0919.N Zaak: UNI-CHOC bv contra DE GROTE AREND VME Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 381 - laatst gezien 2026-06-18 14:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFVORDERING VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Tekst van de beslissing Nr. P.25.0919.N I UNI-CHOC bv, met zetel te 9000 Gent, Groentenmarkt 2, ON 0887.878.117, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. II S. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 mei 2025. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest spreekt de eisers vrij van de telastleggingen A, B, C en D voor de periode van 14 juli 2014 tot 1 januari 2016. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiseres I Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, voorheen de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, en van het ministerieel besluit van 17 maart 2009 “houdende bescherming als monumenten van middeleeuwse stenen in Gent”: met het oordeel dat de twintigste-eeuwse uitbreiding de werken betreft die vergund werden op 16 oktober 2008 en die slaan op het verbouwen van het pand tot winkelruimtes en lofts, geven de appelrechters van dit ministerieel besluit een uitlegging die onmogelijk met de inhoud ervan te verzoenen valt en miskennen zij bijgevolg de bewijskracht ervan; een twintigste-eeuwse uitbreiding kan immers onmogelijk betrekking hebben op werken die pas in de eenentwintigste eeuw werden uitgevoerd. 3. Een ministerieel besluit tot bescherming van een monument is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre het middel schending aanvoert van het ministerieel besluit van 17 maart 2009 “houdende bescherming als monumenten van middeleeuwse stenen in Gent”, faalt het naar recht. 4. Uit het arrest blijkt dat: - bij ministerieel besluit van 17 maart 2009 “houdende bescherming als monumenten van middeleeuwse stenen in Gent” onder meer ook het in de telastleggingen bedoelde pand van de eiseres, uitgezonderd de 20ste-eeuwse uitbreiding, werd beschermd overeenkomstig de bepalingen van het toenmalige Monumentendecreet van 3 maart 1976; - de werken die werden vergund op 16 oktober 2008 betrekking hebben op het verbouwen van het pand tot winkelruimtes en lofts; - de in de telastleggingen bedoelde misdrijven betreffende het onroerend erfgoed betrekking hebben op het met betrekking tot het voormelde pand zonder toelating uitvoeren van handelingen aan en het ontsieren of beschadigen van de “historische dakstructuur” (telastleggingen A en B), alsook op het zonder toelating uitvoeren van handelingen aan het “origineel / historisch dakgebinte” (telastlegging C) en de “historische trap” (telastlegging D); - de voormelde telastleggingen door de appelrechters werden bewezenverklaard in de periode van 1 januari 2016 tot en met 27 januari 2020. Hieruit blijkt niet alleen dat de in de telastleggingen bedoelde handelingen moeten worden onderscheiden van de werken die het voorwerp uitmaken van de vergunning van 16 oktober 2008, maar ook dat die handelingen betrekking hebben op het beschermde historische gedeelte van het pand en niet op de twintigste-eeuwse uitbreiding ervan. Het middel, dat is gericht tegen een overtollige reden, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel 5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5, eerste lid, Strafwetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest oordeelt dat de ten laste gelegde feiten aan de eiseres moreel kunnen worden toegerekend maar veroordeelt de eiseres zonder vast te stellen dat de misdrijven haar als rechtspersoon ook materieel kunnen worden toegerekend op grond van de wettelijke criteria, namelijk dat die misdrijven hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van haar doel of de waarneming van haar belangen, of dat zij, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor haar rekening zijn gepleegd. 6. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel aanvoert. Het oordeelt ook, door de overname van de redenen van het beroepen vonnis, die het aanhaalt (arrest, p. 21), als volgt: “Het misdrijf had intrinsiek verband met de verwezenlijking van het doel van de (eiseres) en werd gepleegd voor rekening van de (eiseres), die handelde via de (eiser). Er was in hoofde van de (eiseres) een duidelijk gebrek aan zorg voor de naleving van de regelgeving ter bescherming van het Vlaams Onroerend Erfgoed, zodat zij ook strafrechtelijk aansprakelijk is.” Het middel berust derhalve op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Middelen van de eiser II Eerste middel 7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, voorheen de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: met het oordeel dat de twintigste-eeuwse uitbreiding de werken betreft die vergund werden op 16 oktober 2008 en die slaan op het verbouwen van het pand tot winkelruimtes en lofts, geven de appelrechters van het ministerieel besluit van 17 maart 2009 “houdende bescherming als monumenten van middeleeuwse stenen in Gent” een uitlegging die onmogelijk met de inhoud ervan te verzoenen valt en miskennen zij bijgevolg de bewijskracht ervan; een twintigste-eeuwse uitbreiding kan immers onmogelijk betrekking hebben op werken die pas in de eenentwintigste eeuw werden uitgevoerd. 8. Het middel specificeert niet waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt of de motiveringsverplichting zou hebben miskend. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 9. In zoverre het middel de miskenning van de bewijskracht van het ministerieel besluit van 17 maart 2009 aanvoert, moet het om de in het antwoord op het eerste middel van de eiseres vermelde redenen worden verworpen. Tweede middel Eerste onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het oordeel dat er geen enkele grond is om het beschermingsbesluit bij toepassing van artikel 159 Grondwet buiten toepassing te laten, is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest verwijst in dit verband immers louter naar het door de eiseres gevoerde verweer en niet naar dat van de eiser, waaruit blijkt dat de appelrechters hebben nagelaten te antwoorden op het desbetreffende verweer van de eiser; betreffende eisers verweer dat er geen rekening mag worden gehouden met het beschermingsbesluit omdat daarin geen melding werd gemaakt van de wezenlijke kenmerken van het historische pand in verband met het dak, de dakconstructie, de schouw en de trap, oordelen de appelrechters weliswaar dat het beschermingsbesluit concreet is gemotiveerd en de bescherming nauwkeurig is afgelijnd met betrekking tot de trap en de zolder, maar antwoorden zij niet op eisers verweer dat de trap waarvan sprake in het beschermingsbesluit, namelijk de “trapconstructie aan de westzijde”, niet de trap betreft die het voorwerp uitmaakt van de strafprocedure; de appelrechters antwoorden evenmin op eisers verweer dat de striktere regelgeving van artikel 6.1.14 Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 tot gevolg heeft dat de strafwet, gelet op artikel 2 Strafwetboek, strikter moet worden geïnterpreteerd; het arrest antwoordt ook niet op tal van andere middelen die de eiser met betrekking tot de onwettigheid van het beschermingsbesluit heeft opgeworpen in zijn appelconclusie. 11. Met de redenen waarmee de rechter een specifiek verweer van een partij verwerpt, kan ook een gelijkaardig verweer van een andere partij regelmatig worden beantwoord, ook al wordt niet naar het verweer van die laatste partij verwezen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 12. Het arrest veroordeelt de eiser tot straf op grond van de bewezenverklaarde misdrijfperiode van de telastleggingen A, B, C en D, alsook tot het herstel van het dak en de zolder. Die veroordelingen zijn wettig verantwoord op grond van de bewezenverklaarde telastleggingen A, B en C. In zoverre het in het onderdeel aangevoerde motiveringsgebrek louter betrekking heeft op het oordeel van de appelrechters in verband met de wettigheid van het beschermingsbesluit in verband met de trap, die louter het voorwerp uitmaakt van de telastlegging D, kan het niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. 13. Na te hebben geoordeeld dat het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna Monumentendecreet) sinds 1 januari 2015 is opgeheven en sindsdien het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 geldt (arrest p. 17, nr. 5), oordelen de appelrechters dat het bewuste pand door het beschermingsbesluit van 17 maart 2009 werd beschermd overeenkomstig de bepalingen van het Monumentendecreet, dat in het overwegend deel van het beschermingsbesluit sprake is van de artistieke waarde, de historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde en de sociaal-culturele waarde van het pand, dat de beschermende overheid het beschermingsbesluit draagkrachtig, concreet en gedetailleerd heeft gemotiveerd en de bescherming nauwkeurig is afgelijnd, en dat er geen enkele grond is om het beschermingsbesluit buiten toepassing te laten. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat eisers verweer moet worden verworpen in zoverre werd aangevoerd dat, gelet op de striktere beschermingsvoorschriften in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, op grond van artikel 2 Strafwetboek tot de onwettigheid van het beschermingsbesluit moet worden besloten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 14. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest niet antwoordt op tal van andere middelen die de eiser in zijn appelconclusie met betrekking tot de onwettigheid van het beschermingsbesluit heeft opgeworpen, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1.14 Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013: het oordeel van de appelrechters dat geen enkele bepaling voorschrijft dat een beschermingsbesluit elk onderdeel van het beschermde monument beschrijft en de beschermwaarde ervan motiveert, is niet naar recht verantwoord; een beschermingsbesluit dient wel degelijk gegevens te bevatten met betrekking tot de erfgoedwaarden, de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken, terwijl bij het besluit ook een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde pand moet worden gevoegd; de appelrechters konden dan ook niet eenvoudigweg stellen dat geen enkele bepaling voorschrijft dat de erfgoedelementen, erfgoedwaarden en erfgoedkenmerken dienen te worden omschreven; dat volgens de op het ogenblik van het beschermingsbesluit toepasselijke regelgeving niet in de opsomming van die gegevens werd voorzien, was hier uitermate relevant, gelet op het door het arrest niet-beantwoorde verweer van de eiser met betrekking tot artikel 2 Strafwetboek. 16. Het arrest oordeelt dat het pand door het beschermingsbesluit van 17 maart 2009 werd beschermd overeenkomstig de bepalingen van het Monumentendecreet. Op dat beschermingsbesluit is artikel 6.1.14 Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dat pas na dat besluit in werking is getreden, niet van toepassing. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 17. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit het in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek, is het niet ontvankelijk. Derde middel 18. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de trap mogelijks werd ingekapseld en nog aanwezig is, verantwoordt het arrest de bewezenverklaring van de telastlegging D, die betrekking heeft op het zonder toelating verwijderen van de historische trap, niet naar recht; dat laatste kunnen de appelrechters ook niet afleiden uit het verwijderen van een balustrade en een baluster, aangezien dit niet het voorwerp uitmaakt van de met de inleidende dagvaarding aanhangig gemaakte strafvordering. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: de appelrechters konden de telastlegging D niet wettig bewezen verklaren op grond van het inkapselen van de trap of het verwijderen van een balustrade en een baluster, zonder de eiser in de gelegenheid te stellen verweer te voeren over die heromschrijving van de telastlegging D. 19. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastleggingen A, B, C en D en veroordeelt hem hiervoor, na te hebben vastgesteld dat de bewezen feiten de uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet, tot een geldboete van 1.000,00 euro, na vermeerdering met zeventig opdeciemen gebracht op 8.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en tot een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, tot een vergoeding voor de kostprijs van het verloop van de strafprocedure en tot de gerechtskosten, alsook tot het herstel van het dak en het herstel van de zolder. Die straffen, bijkomende veroordelingen en herstelmaatregelen zijn wettig verantwoord door de bewezenverklaring van de telastleggingen A, B en C. Uit het arrest blijkt niet dat de straffen of herstelmaatregelen mede werden beïnvloed door de bewezenverklaring van de telastlegging D. Het middel is bij gebrek aan belang bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 195,31 euro, waarvan op het cassatieberoep I 97,65 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 97,66 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 april 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.