← België

Openbaar Centrum voor Maatschappelijk We contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.1 Rolnummer: S.23.0083.N Zaak: Openbaar Centrum voor Maatschappelijk We contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 328 - laatst gezien 2026-06-18 14:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: AMBTENAAR - AMBTENAAR (GEMEENTEN EN PROVINCIES) Tekst van de beslissing Nr. S.23.0083.N OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN HERENT, met zetel te 3020 Herent, Spoorwegstraat 6, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0212.217.786, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen D.V.E, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 26 juli 2023. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 2 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens artikel 236, § 1, van de rechtspositieregeling van de gemeente en het OCMW Herent, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 18 november 2008, hierna Rechtspositieregeling Herent, kan het statutair personeelslid, dat geen recht heeft op uitkeringen in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, bij afwezigheid wegens ziekte of invaliditeit in disponibiliteit worden gesteld op het ogenblik dat het personeelslid het totale aantal beschikbare ziektekredietdagen toegekend volgens de bepalingen van zijn rechtspositieregeling, heeft opgebruikt. Krachtens artikel 237, § 1, Rechtspositieregeling Herent ontvangt het statutaire personeelslid dat in disponibiliteit is gesteld wegens ziekte of invaliditeit een wachtgeld gelijk aan 60 pct. van het laatste activiteitssalaris en de fictieve ontwikkeling daarvan, berekend volgens de regels die van toepassing zouden zijn geweest als het personeelslid nog in effectieve actieve dienst was gebleven. 2. Indien het bestuur in de rechtspositieregeling een keuze maakt voor een stelsel van disponibiliteit wegens ziekte en invaliditeit dan heeft dit stelsel een dwingend karakter, zodat het van toepassing is van zodra de ziektekredietdagen zijn opgebruikt. 3. Krachtens artikel 236, § 2, Rechtspositieregeling Herent houdt de disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit op telkens als de toestand van ziekte of invaliditeit ophoudt te bestaan, of als het betrokken statutaire personeelslid, al dan niet vervroegd op pensioen wordt gesteld. 4. Indien een statutair personeelslid, dat in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte of invaliditeit, het werk niet op voltijdse basis kan hervatten, maar slechts zijn functie op deeltijdse basis kan opnemen omdat zijn gezondheidstoestand geen voltijds werk toelaat, houdt de toestand van ziekte of invaliditeit, bedoeld in artikel 236, § 2, niet op te bestaan. Hij bevindt zich, na de deeltijdse werkhervatting, in een toestand van deeltijdse disponibiliteit en deeltijdse dienstactiviteit. 5. Het middel dat ervan uitgaat dat een deeltijdse tewerkstelling en het ermee gepaard gaande loon niet kan worden gecombineerd met een deeltijdse disponibiliteit, faalt naar recht. Tweede middel Tweede onderdeel 6. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, konden verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren. 7. De verweerder heeft voor de appelrechters de betaling gevorderd van een schadevergoeding op basis van de Discriminatiewet en heeft onder meer aangevoerd dat niet valt te begrijpen dat een personeelslid niet deeltijds in disponibiliteit zou kunnen zijn, dat nergens erin voorzien is dat een voltijds personeelslid dat ingevolge medische redenen slechts deeltijds kan werken, geen wachtvergoeding moet worden betaald en dat een systeem van deeltijdse tewerkstelling om medische redenen, gecombineerd met een deeltijdse disponibiliteit met een evenredig wachtgeld geen onevenredige aanpassing is. 8. De appelrechters die oordelen dat “(…) de situatie van (de verweerder) (kan) vergeleken worden met die van de ambtenaar die door een handicap geen enkele prestatie aankan en voltijds arbeidsongeschikt is. (…) (De verweerder) bekomt geen wachtgeld, andere collega’s wel.” en de eiser veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding op basis van de Discriminatiewet, steunen op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, konden verwachten dat de appelrechters ze in hun oordeel zouden betrekken en waarover zij standpunt hebben kunnen innemen en werpen geen geschil op dat door de partijen was uitgesloten. Zij miskennen aldus noch het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging, noch het beschikkingsbeginsel en schenden evenmin artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste onderdeel 9. De door het tweede onderdeel vergeefs bekritiseerde zelfstandige redenen dragen de bestreden beslissing tot toekenning van een schadevergoeding wegens discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 278,03 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, en in openbare rechtszitting van 4 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.