id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.2 Rolnummer: S.25.0008.N Zaak: W. contra Alliance Nationale des Mutualités Chréti Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 395 - laatst gezien 2026-06-18 16:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING Tekst van de beslissing Nr. S.25.0008.N M.W., eiseres, aan wie rechtsbijstand is verleend bij beschikking van 13 februari 2025 (nr. G.24.0185.N), vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Laurierlaan 1, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579 bus 40, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0411.702.543 verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 november 2024. Raadsheer Eva Van Hoorde heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 93 ZIV-wet heeft de werknemer wiens arbeidsongeschiktheid voortduurt na het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, recht op een invaliditeitsuitkering, waarvan de Koning het bedrag bepaalt. De Koning stelt ook de voorwaarden vast waaronder aan de gerechtigde die niet als “werknemer met persoon ten laste” wordt beschouwd een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen. Krachtens artikel 213, eerste en tweede lid, Uitvoeringsbesluit ZIV-wet wordt het bedrag van de invaliditeitsuitkering vastgesteld op 65 pct. van het gederfde loon. Voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemers met persoon ten laste, wordt deze hoegrootheid herleid tot 55 of 40 pct. van hetzelfde loon, naargelang het wel of niet in artikel 226 bedoelde gerechtigden betreft. Artikel 226 Uitvoeringsbesluit ZIV-wet bepaalt dat wordt beschouwd als werknemer zonder persoon ten laste aan wie een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen, de gerechtigde die bewijst dat hij, hetzij alleen woont, hetzij uitsluitend samenwoont met personen die geen inkomen genieten en niet beschouwd worden als personen ten laste. Krachtens artikel 225, § 4, Uitvoeringsbesluit ZIV-wet moet het bewijs van de gezinstoestand geleverd worden met een officieel getuigschrift dat in het dossier van de gerechtigde voorkomt, bij de uitbetaling van de invaliditeitsuitkeringen. Dit bewijs volgt, wat de voorwaarde van samenwonen betreft, uit de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen bij het Rijksregister, behoudens de gevallen waarin uit andere, hiertoe overgelegde bewijsstukken blijkt dat de in aanmerking te nemen toestand niet of niet langer overeenstemt met voornoemd informatiegegeven van het Rijksregister. 2. Artikel 37, § 19, ZIV-wet bepaalt dat gezinnen met een bescheiden inkomen een verhoogde verzekeringstegemoetkoming genieten. Onder gezin verstaat men de eenheid samengesteld uit de aanvrager, zijn niet feitelijk gescheiden of niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of samenwonende persoon en hun personen ten laste. Er wordt rekening gehouden met de belastbare bruto-inkomsten van het gezin. Het koninklijk besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalt onder welke voorwaarden een rechthebbende recht heeft op de verhoogde tegemoetkoming. Artikel 21 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt de inkomensgrens die van toepassing is. 3. Onder samenwoning wordt, voor de toepassing van deze bepalingen, verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. De rechter oordeelt in feite of personen hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. 4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiseres stelt dat zij een LAT-relatie heeft met V.L. maar niet met hem samenwoont; - de verweerder voldoende elementen naar voren brengt waaruit blijkt dat de eiseres samenwoont met V.L. in de zin van de artikelen 225 en 226 Uitvoeringsbesluit ZIV-wet; - dit vooreerst blijkt uit het onderzoek gevoerd door de lokale politie Kempen, waarbij werd vastgesteld dat op het domicilieadres van de eiseres zo goed als geen verbruik van water was in de periode van 2018 tot en met 2021 en zo goed als geen ophaling van restafval en/of papier; - nooit werd opengedaan bij het aanbellen door de politie op het bewuste adres verschillende malen op verschillende tijdstippen, zowel ’s avonds als in het weekend en dit tussen oktober 2021 en februari 2022; - daarbij ook geen wijziging was in de toestand en het gordijn aan het voorste raam altijd dicht bleef, behalve dat een of twee keer per week de brievenbus was leeggemaakt; - de buren verklaarden dat ze de eiseres zelden zagen en dat, wanneer dit al eens het geval was, dit enkel was om de brievenbus leeg te maken; - daaruit enkel en alleen kan worden afgeleid dat de eiseres in deze periode niet op haar domicilieadres woonde maar daadwerkelijk elders verbleef en daar de nutsvoorzieningen gebruikte, wat een essentieel onderdeel is van het vormen van een gemeenschappelijke huishouding; - de ouders van de eiseres in een verklaring bevestigen dat zij geregeld met haar vriend naar Nederland is geweest en dat zij, na operaties, door hen of door haar vriend werd opgevangen, hetgeen eerder een effectieve samenwoning aantoont; - het feit dat de eiseres en V.L. desgevallend niet voltijds samen leefden, niet verhindert dat sprake is van wonen onder hetzelfde dak aangezien moet worden nagegaan waar zij het grootste deel van het jaar verbleef en de hoofdverblijfplaats niet wordt gewijzigd door een tijdelijke afwezigheid. 5. Op grond van die vaststellingen konden de appelrechters wettig oordelen dat de eiseres en V.L. onder hetzelfde dak woonden en hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelden en verantwoorden ze naar recht hun beslissing dat de eiseres als samenwonende dient te worden beschouwd. Het middel kan niet worden aangenomen. Kosten 6. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerder tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres in debet op 310,08 euro en op 26 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Bruno Lietaert, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 4 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.