← België

M. contra SOLIDARIS

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.3 Rolnummer: S.24.0035.N Zaak: M. contra SOLIDARIS Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 278 - laatst gezien 2026-06-18 15:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING Tekst van de beslissing Nr. S.24.0035.N K.M., eiser, aan wie rechtsbijstand is verleend bij beschikking van (…) (nr. …), vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de eiser woonplaats kiest, tegen SOLIDARIS – NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, verzekeringsinstelling met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32-38, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0411.724.220, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 27 februari 2024. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Krachtens artikel 101, § 2, eerste lid, ZIV-wet moet de gerechtigde die arbeid heeft verricht zonder de in artikel 100, § 2, bedoelde toelating, de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terugbetalen die hij ontvangen heeft voor de dagen of de periode tijdens welke hij de niet-toegelaten arbeid heeft verricht. 2. Krachtens artikel 8.4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek moet hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten te bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. 3. Uit het geheel van de voormelde wettelijke bepalingen volgt dat de verzekeringsinstelling die van de gerechtigde terugbetaling van de ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vordert wegens het verrichten van niet-toegelaten arbeid, dient te bewijzen op welke dagen of in welke periode de betrokkene die arbeid heeft verricht. 4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - het vaststaat dat de eiser vanaf 31 juli 2018 tot en met 17 februari 2019 een werkzaamheid uitoefende; - de verweerder bewijst dat de eiser werkzaamheden zonder toestemming van de adviserend arts heeft verricht; - voor de beperking van de herziening en terugvordering het aan de eiser is om te bewijzen wanneer hij arbeid zonder toestemming verricht heeft; - de eiser niet aantoont dat er enkel sprake was van niet-toegelaten arbeid in de periode van 31 juli 2018 tot 17 februari 2019; - de eiser niet aantoont wanneer hij de werkzaamheden heeft stopgezet; - het feit dat de eiser veroordeeld werd voor de periode van 31 juli 2018 tot 17 februari 2019 op zich niet aantoont dat hij met de verkoop en levering van verdovende middelen zou gestopt zijn en geen (andere) werkzaamheden meer zou uitgeoefend hebben. 5. De appelrechters die de eiser aldus verplichten te bewijzen dat hij geen werkzaamheden uitoefende in de periode na 17 februari 2019, verantwoorden hiermee hun beslissing dat de eiser geen recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de periode van 31 juli 2018 tot en met 28 februari 2022 en 72.932,60 euro aan onterecht ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen moet terugbetalen, niet naar recht. Overige grieven 6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Kosten 7. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vordering tot terugbetaling van ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Veroordeelt de verweerder tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser in debet op 452,32 euro en op 26 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Bruno Lietaert, Michael Traest en Ann De Wolf, en ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, en in openbare rechtszitting van 4 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.