← België

BELGISCHE STAAT contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.4 Rolnummer: S.25.0071.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 308 - laatst gezien 2026-06-18 15:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Tekst van de beslissing Nr. S.25.0071.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.356.862, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen W.V.M., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 7 april 2025. Raadsheer Eva Van Hoorde heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 3, eerste lid, 1°, c, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel bepaalt dat degene die getroffen is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte recht heeft op een bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid na de herzieningstermijn. Krachtens artikel 13, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel worden de in artikel 3, eerste lid, bedoelde verergeringsbijslagen vermeerderd of verminderd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De Koning bepaalt hoe zij aan de spilindex 138,01 worden gekoppeld. 2. Krachtens artikel X.III.30bis, § 1, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, hierna RPPol, zoals ingevoerd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 september 2019 betreffende de verergeringsbijslag en de overlijdensbijslag ten gunste van de personeelsleden van de politiediensten en geldend voor arbeidsongevallen vanaf 1 september 2006, wordt op zijn aanvraag aan de getroffene een jaarlijkse bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid toegekend, telkens wanneer zijn toestand die het gevolg is van het arbeidsongeval op een blijvende manier verergert na afloop van de in artikel X.III.20, 1°, bedoelde herzieningstermijn, voor zover de graad van arbeidsongeschiktheid, na die verergering, ten minste 10 pct. bedraagt. Artikel X.III.30bis, § 2, RPPol bepaalt dat het bedrag van de bijslag gelijk is aan het verschil tussen: 1° het product dat men bekomt door de nieuwe graad van blijvende arbeidsongeschiktheid te vermenigvuldigen met het met die graad overeenstemmende bedrag, zoals bepaald in artikel 5bis, § 3, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk en, 2° het bedrag van de oorspronkelijke of herziene rente, vóór iedere uitkering in kapitaal. Krachtens voormeld artikel 5bis, § 3, zoals van toepassing, zijn de bedoelde bedragen de volgende: - 70,49 euro per percent blijvende ongeschiktheid, wanneer deze is vastgesteld op ten minste 10 percent en ten hoogste 35 percent; - 93,91 euro per percent blijvende ongeschiktheid, wanneer deze is vastgesteld op meer dan 35 percent en ten hoogste 65 percent; - 119,19 euro per percent blijvende ongeschiktheid, wanneer deze is vastgesteld op meer dan 65 percent; - 59,63 euro per percent blijvende ongeschiktheid, wanneer de in artikel 4, § 2, eerste lid, van de wet bedoelde bijkomende vergoeding wordt berekend met een maximum van 100 percent; het bedrag wordt opgetrokken tot 119,19 euro als die in artikel 4, § 2 bedoelde bijkomende vergoeding berekend wordt met een maximum van 50 percent overeenkomstig artikel 4, § 1, vijfde lid, van de wet, zoals het van toepassing was voor 25 november 1998. Artikel X.III.34 RPPol bepaalt dat voor de toepassing van artikel 13 Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel de rente en de bedragen van de verergeringsbijslag en van de overlijdensbijslag worden gekoppeld aan de spilindex 138,01 en schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. 3. Krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk worden voor de toepassing van artikel 13 Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel de rente, de verergeringsbijslag, de overlijdensbijslag en de in artikel 5bis, § 3, bedoelde bedragen gekoppeld aan de spilindex 138,01 en schommelen zij overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Krachtens artikel 21 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 worden ten gunste van de personeelsleden van de overheidsdiensten en de overheidsinstellingen van de lokale sector die onder het toepassingsgebied van dat koninklijk besluit vallen, voor de toepassing van artikel 13 Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel de rente, de verergeringsbijslag, de overlijdensbijslag en de in artikel 5bis, § 3, van dat besluit bedoelde bedragen gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 en schommelen zij overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. 4. Uit de vaststaande wil van de wetgever om de regeling van de verergeringsbijslag voor het politiepersoneel af te stemmen op die voor het personeel van de federale overheid en van de lokale overheden, volgt dat met de “bedragen van de verergeringsbijslag” zowel het bedrag van de verergeringsbijslag zelf wordt bedoeld als de forfaitaire bedragen vermeld in artikel 5bis, § 3, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 op basis waarvan deze bijslag wordt berekend. 5. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 1, 3, eerste lid, 1°, c, en 13 Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en de artikelen X.III.30bis, § 2, en X.III.34 RPPol, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt het bijgevolg naar recht. 6. In zoverre het middel steunt op de veronderstelling dat de appelrechters oordelen dat een verschillende behandeling van de personeelsleden van de politiediensten in strijd zou zijn met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 7. De appelrechters oordelen over een interpretatieprobleem, zoals het hun taak is recht te spreken in een geschil dat tot hun bevoegdheid behoort. In zoverre het middel aanvoert dat zij zich in de plaats stellen van de uitvoerende macht, kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 619,07 euro en op 26 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Bruno Lietaert, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 4 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.