← België

E. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.5 Rolnummer: C.25.0242.N Zaak: E. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-06-18 15:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART Tekst van de beslissing Nr. C.25.0242.N EPE / COMPAGNIE NATIONALE DE NAVIGATION – EL DJAZAIR / SPA, afgekort CNAN EL DJAZAIR, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te Algiers (Algerije), 74 Boulevard Mohamed V, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, belast met de Noordzee, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/65, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.852, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 12 februari 2025. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 25 februari 2026 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Eva Van Hoorde heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel Ontvankelijkheid 1. Over de door de verweerder opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: de eiseres heeft geen belang bij de door haar gevoerde kritiek, omdat de geldboete die aan de eiseres werd opgelegd, niet meer dan het dubbel van het maximumbedrag van de zwaarste straf bedraagt. 2. De rechter veroordeelt de eiseres tot de betaling zonder uitstel van een administratieve geldboete van 45.872 euro, te verhogen met opdeciemen, hetzij een geldboete van 366.976 euro. Hieruit volgt dat de eiseres benadeeld wordt door het vonnis. De ontvankelijkheid van het cassatiemiddel vereist voor het overige niet dat de eiseres verduidelijkt welk belang zij bij de cassatie heeft. De grond van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Gegrondheid 3. Artikel 7, derde lid, van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, hierna de wet van 25 december 2016, bepaalt met betrekking tot de administratieve geldboete voor feiten die strafrechtelijk kunnen worden vervolgd dat, in geval van samenloop van inbreuken, de bedragen van de administratieve geldboeten worden samengevoegd, zonder dat ze het dubbele van het maximumbedrag van de zwaarste geldboete mogen overschrijden. Artikel 12, derde lid, van deze wet bevat een gelijkluidende bepaling die betrekking heeft op de administratieve geldboete voor gedepenaliseerde inbreuken. 4. Uit deze bepalingen volgt dat de bevoegde autoriteit die een administratieve geldboete oplegt met toepassing van de wet van 25 december 2016 voor verschillende inbreuken, in geval van samenloop, voor elke inbreuk een afzonderlijke geldboete moet opleggen en die vervolgens moet samenvoegen. 5. De rechter stelt vast en oordeelt dat: - de dienst administratieve geldboetes van het directoraat-generaal scheepvaart van de FOD mobiliteit en vervoer met een beslissing van 4 juli 2023 een administratieve geldboete van 366.976 euro heeft opgelegd aan de eiseres; - de beslissing van 4 juli 2023 het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete vermeldt; - uit de samenhang van de artikelen 11 en 12 van de wet van 25 december 2016 niet volgt dat de beslissing de gedetailleerde weergave van de bedragen van administratieve geldboeten moet bevatten, noch de optelling ervan, noch de verantwoording ervan na weerhouding van het maximale bedrag. 6. De rechter die op grond van deze redenen de beslissing van 4 juli 2023 integraal bevestigt, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Bruno Lietaert, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 4 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260504.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.