id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:A
Art. 425
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 425
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Fiches 3 - 5 De verplichting om voor het instellen van het cassatieberoep een beroep te doen op een advocaat houder van het getuigschrift geldt voor alle door de partijen ingestelde cassatieberoepen in strafzaken met uitzondering van het openbaar ministerie, en dus ook voor die cassatieberoepen in strafzaken die door een bijzondere wet zijn geregeld, zoals het door de artikelen 96 tot en met 98 Wet Strafuitvoering bedoelde cassatieberoep tegen beslissingen van de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank; die verplichting geldt ongeacht de detentietoestand van de partij die cassatieberoep aantekent; artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de veroordeelde cassatieberoep kan instellen door het afleggen van een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en die verklaring moet ondertekend zijn door een advocaat; indien die advocaat geen houder is van het voormelde getuigschrift volgt uit de samenlezing van artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering en artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is
(1).
(1)Cass. 17 juni 2025, AR P.25.0773.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.23, NC 2026, 120; S. VAN OVERBEKE, "De cassatieprocedure in strafzaken: formele voorwaarden en verloop", in De cassatieberoepen, Larcier, 2023, 323-331. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 425
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 97, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 425
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 97, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 425
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 97, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 6 - 9 De wetgever heeft met artikel 426 Wetboek van Strafvordering in één uitzondering voorzien op de verplichting voor een partij om voor het instellen van een cassatieberoep in strafzaken een beroep te doen op een advocaat houder van een getuigschrift: dit betreft het geval van een gedetineerde of een overeenkomstig artikel 606 Wetboek van Strafvordering geplaatste persoon die cassatieberoep aantekent bij toepassing van artikel 31 Voorlopige Hechteniswet; die kan zelf cassatieberoep aantekenen door het afleggen van een verklaring bij de directeur van de gevangenis of bij zijn gemachtigde of in voorkomend geval bij de directeur van het gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd of zijn gemachtigde en dus zonder bijstand van een advocaat; de verantwoording voor deze uitzondering ligt in de korte termijn waarbinnen de betrokkene, die van zijn vrijheid is beroofd, cassatieberoep kan instellen; het is dus niet de vrijheidsberoving van de betrokkene op zichzelf die de uitzonderingsregeling verklaart; de in artikel 426 Wetboek van Strafvordering bepaalde uitzondering geldt ook voor hij die cassatieberoep wil instellen tegen de uitvoerbaarverklaring van een tegen hem uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel overeenkomstig artikel 18 Wet Europees Aanhoudingsbevel gelet op het vergelijkbaar karakter van de regeling van dit cassatieberoep met het cassatieberoep inzake voorlopige hechtenis
(1).
(1)Over art. 18 Wet Europees Aanhoudingsbevel zie Cass. 20 oktober 2015, AR P.15.1287.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.4, AC 2015, nr. 617, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, NC 2016, 262; S. VAN OVERBEKE, “De cassatieprocedure in strafzaken: formele voorwaarden en verloop”, in De cassatieberoepen, Larcier, 2023, 326-
- Het cassatieberoep ingesteld door de veroordeelde zelf, door een verklaring aan de gevangenisdirecteur, is niet-ontvankelijk, zie Cass. 12 maart 2024, AR P.24.0228.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.12; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0705.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.10; Cass. 15 juni 2010, AR P.10.0878.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100615.1, AC 2010, nr. 429, met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF, toen eerste advocaat-generaal; F. t'KINT, “Quelques informations pratiques sur le pourvoi en cassation en matière pénale”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 48; H. VAN BAVEL, “Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in strafzaken”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 68-
- (BDS) Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 426
- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) - 16-12-1808 - Art. 606 - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 31 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 18 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - CASSATIEBEROEP Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 426
- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) - 16-12-1808 - Art. 606 - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 31 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 18 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 426
- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) - 16-12-1808 - Art. 606 - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 31 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 18 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 426
- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) - 16-12-1808 - Art. 606 - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 31 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 18 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 10 - 13 Het Hof stelt aan het Grondwettelijk Hof geen prejudiciële vraag over de verenigbaarheid van het verschil in behandeling “tussen gedetineerden die cassatieberoep instellen tegen vonnissen van een appelgerecht in strafzaken respectievelijk tegen beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbanken” aangezien
- a)de beoordeling van het cassatieberoep ingesteld namens de veroordeelde is spoedeisend, aangezien het Hof bij toepassing van artikel 97, § 3, tweede lid, Wet Strafuitvoering uitspraak moet doen binnen de dertig dagen;
- b)de prejudiciële vraag beoogt de vergelijking van volstrekt verschillende rechtstoestanden, namelijk enerzijds die van hij die om bij toepassing van artikel 31 Voorlopige Hechteniswet cassatieberoep in te stellen slechts beschikt over een termijn van vierentwintig uur vanaf de betekening van de beslissing die zijn voorlopige hechtenis handhaaft en dit kan door het afleggen van een verklaring aan de directeur of zijn gemachtigde, en, anderzijds die van hij die bij toepassing van artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering beschikt over een termijn vijf dagen te rekenen vanaf de uitspraak van de strafuitvoeringsrechtbank om cassatieberoep in te stellen en
- c)er wordt niet voorgehouden dat de raadsman van de eiser die de verklaring van cassatieberoep heeft afgelegd houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld door boek II, titel III Wetboek van Strafvordering en er blijkt ook niet dat die raadsman beschikt over dit getuigschrift; het cassatieberoep is dan ook niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 97, § 3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 97, § 3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 97, § 3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 97, § 3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0544.N K. N., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Tim Veldeman, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 3 april 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Volgens artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering kan het cassatieberoep maar worden ingesteld door het afleggen van een verklaring ter griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III Wetboek van Strafvordering. 2. Indien niet is voldaan aan deze substantiële formaliteit, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. 3. Door de invoering van deze verplichting wil de wetgever dat de eiser in cassatie de beslissing om dit rechtsmiddel aan te wenden weloverwogen neemt en wil hij vermijden dat het Hof lichtzinnig ingestelde en kansloze cassatieberoepen moet behandelen. Cassatieberoepen die voortvloeien uit een verkeerd begrip van de opdracht van het Hof kunnen immers de goede werking ervan in het gedrang brengen. Bovendien mag worden aangenomen dat een advocaat met een voldoende kennis van de cassatieprocedure in strafzaken zijn cliënt beter kan informeren en hem behoeden voor teleurstellingen, nutteloze kosten en tijdverlies. 4. Deze beperking van de toegang tot het Hof en de sanctionering ervan dient dan ook een wettig doel en staat in een redelijke verhouding tot het beoogde doel van een behoorlijke rechtsbedeling. Ze doet geen afbreuk aan het beginsel van de vrije keuze van een raadsman. 5. De verplichting om voor het instellen van het cassatieberoep een beroep te doen op een advocaat houder van het getuigschrift geldt voor alle door de partijen ingestelde cassatieberoepen in strafzaken met uitzondering van het openbaar ministerie, en dus ook voor die cassatieberoepen in strafzaken die door een bijzondere wet zijn geregeld, zoals het door de artikelen 96 tot en met 98 Wet Strafuitvoering bedoelde cassatieberoep tegen beslissingen van de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank. Die verplichting geldt ongeacht de detentietoestand van de partij die cassatieberoep aantekent. 6. Artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de veroordeelde cassatieberoep kan instellen door het afleggen van een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en die verklaring moet ondertekend zijn door een advocaat. Indien die advocaat geen houder is van het voormelde getuigschrift volgt uit de samenlezing van artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering en artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is. 7. De wetgever heeft met artikel 426 Wetboek van Strafvordering in één uitzondering voorzien op de verplichting voor een partij om voor het instellen van een cassatieberoep in strafzaken een beroep te doen op een advocaat houder van een getuigschrift: dit betreft het geval van een gedetineerde of een overeenkomstig artikel 606 Wetboek van Strafvordering geplaatste persoon die cassatieberoep aantekent bij toepassing van artikel 31 Voorlopige Hechteniswet. Die kan zelf cassatieberoep aantekenen door het afleggen van een verklaring bij de directeur van de gevangenis of bij zijn gemachtigde of in voorkomend geval bij de directeur van het gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd of zijn gemachtigde en dus zonder bijstand van een advocaat. 8. De verantwoording voor deze uitzondering ligt in de korte termijn waarbinnen de betrokkene, die van zijn vrijheid is beroofd, cassatieberoep kan instellen. Het is dus niet de vrijheidsberoving van de betrokkene op zichzelf die de uitzonderingsregeling verklaart. 9. De in artikel 426 Wetboek van Strafvordering bepaalde uitzondering geldt ook voor hij die cassatieberoep wil instellen tegen de uitvoerbaarverklaring van een tegen hem uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel overeenkomstig artikel 18 Wet Europees Aanhoudingsbevel gelet op het vergelijkbaar karakter van de regeling van dit cassatieberoep met het cassatieberoep inzake voorlopige hechtenis. 10. De eiser voert aan dat indien het Hof zou oordelen dat tegen een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank enkel cassatieberoep kan worden ingesteld door een advocaat houder van het getuigschrift en niet door de gedetineerde zelf via de gevangenisgriffie of door een advocaat die geen houder is van het getuigschrift ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank, er aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag moet worden gesteld over de verenigbaarheid van dit verschil in behandeling “tussen gedetineerden die cassatieberoep instellen tegen vonnissen van een appelgerecht in strafzaken respectievelijk tegen beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbanken”. 11. Het cassatieberoep tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank werd in deze zaak niet ingesteld door de eiser zelf, maar wel door zijn raadsman ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Het Hof gaat dan ook niet in op een situatie die zich in het voorliggend dossier niet voordoet, namelijk dat de eiser zelf cassatieberoep heeft ingesteld. 12. Het Hof stelt de voorgestelde prejudiciële vraag niet. Immers: - de beoordeling van eisers cassatieberoep is spoedeisend, aangezien het Hof bij toepassing van artikel 97, § 3, tweede lid, Wet Strafuitvoering uitspraak moet doen binnen de dertig dagen; - de prejudiciële vraag beoogt de vergelijking van volstrekt verschillende rechtstoestanden, namelijk enerzijds die van hij die om bij toepassing van artikel 31 Voorlopige Hechteniswet cassatieberoep in te stellen slechts beschikt over een termijn van vierentwintig uur vanaf de betekening van de beslissing die zijn voorlopige hechtenis handhaaft en dit kan door het afleggen van een verklaring aan de directeur of zijn gemachtigde, en, anderzijds die van hij die bij toepassing van artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering beschikt over een termijn vijf dagen te rekenen vanaf de uitspraak van de strafuitvoeringsrechtbank om cassatieberoep in te stellen. 13. Er wordt niet voorgehouden dat de raadsman van de eiser die de verklaring van cassatieberoep heeft afgelegd houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld door boek II, titel III Wetboek van Strafvordering en er blijkt ook niet dat die raadsman beschikt over dit getuigschrift. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. 14. Gelet op de onontvankelijkheid van eisers cassatieberoep moet de ontvankelijkheid van de memorie niet worden beoordeeld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.13 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100615.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div