id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.18 Rolnummer: P.26.0266.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-05-08 Raadplegingen: 549 - laatst gezien 2026-06-18 15:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 44, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat hij die wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vervallen is verklaard van het recht tot sturen, na minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, een herziening kan vragen via een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken; uit die bepaling volgt dat indien de politierechtbank een door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde vervallenverklaring uitspreekt en uit de samenlezing van de verklaringen van hoger beroep en de grievenformulieren blijkt dat deze beveiligingsmaatregel niet tot de saisine van het appelgerecht behoort, de politierechtbank rechtsmacht heeft om kennis te nemen van een verzoek om herziening als bedoeld door artikel 44, eerste lid, Wegverkeerswet; het vonnis van de politierechtbank dat een door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde vervallenverklaring uitspreekt, welke niet tot de saisine van het appelgerecht behoort, verkrijgt wat die beveiligingsmaatregel betreft kracht van gewijsde na het verstrijken van de beroepstermijnen betreffende dat vonnis
(1).
(1)Het rijverbod als veiligheidsmaatregel (art. 42 Wegverkeerswet) behoort tot de saisine van de rechter in hoger beroep als de veroordeelde een grief aanvoert over de schuld (Cass. 28 oktober 2025, AR P.25.1175.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.10; Cass. 7 januari 2025, AR P.24.1675.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.9 of specifiek over deze maatregel. Een grief enkel over de straf houdt nog geen grief in over de maatregel (Cass. 4 maart 2025, AR P.25.0114.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.15). Over het beginpunt van de wachttermijn van zes maanden voor de herziening van het rijverbod (art. 44 Wegverkeerswet) zie Cass. 28 oktober 2025, AR P.25.1175.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.10 en Cass. 19 september 2023, AR P.23.1255.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.
- (BDS) Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 44 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 44, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 44, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 44, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0266.N G. D. D., verzoeker tot herziening van een vervallenverklaring van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, eiser, met als raadsman mr. Matthias Baert, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 10 februari 2026 (nr. 2026/544). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 203, § 1 en 204 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 42 en 44 Wegverkeerswet: het vonnis verklaart eisers verzoek tot herziening ten onrechte onontvankelijk; tegen het vonnis van 17 juni 2025 waarbij aan de eiser een vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid werd opgelegd, werd op 17 juli 2025 hoger beroep aangetekend conform het grievenformulier, maar er werd geen grief aangevoerd wat betreft de schuld en de beslissing over de vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid werd uitdrukkelijk als grief uitgesloten; daardoor is het vonnis van 17 juni 2025 definitief en heeft het kracht van gewijsde.
- Artikel 44, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat hij die wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vervallen is verklaard van het recht tot sturen, na minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, een herziening kan vragen via een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken.
- Uit die bepaling volgt dat indien de politierechtbank een door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde vervallenverklaring uitspreekt en uit de samenlezing van de verklaringen van hoger beroep en de grievenformulieren blijkt dat deze beveiligingsmaatregel niet tot de saisine van het appelgerecht behoort, de politierechtbank rechtsmacht heeft om kennis te nemen van een verzoek om herziening als bedoeld door artikel 44, eerste lid, Wegverkeerswet.
- Het vonnis van de politierechtbank dat een door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde vervallenverklaring uitspreekt, welke niet tot de saisine van het appelgerecht behoort, verkrijgt wat die beveiligingsmaatregel betreft kracht van gewijsde na het verstrijken van de beroepstermijnen betreffende dat vonnis.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - bij vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 17 juni 2025 werd tegen de eiser een door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid uitgesproken; - tegen dat vonnis werd door de eiser op 17 juli 2025 hoger beroep ingesteld, met name “tegen de beschikkingen van het vonnis conform het grievenformulier”; - in het grievenformulier heeft de eiser enkel de rubriek Straf en/of maatregel aangekruist, met de toevoeging “Alle opgelegde straffen en/of maatregelen, behalve art. 42 Wegverkeerswet. Hoegrootheid straf, niet-toepassing probatiewet. Onderzoeken niet noodzakelijk”; - tegen dat vonnis werd ook door het openbaar ministerie op 25 juli 2025 hoger beroep ingesteld, met name “tegen de beschikkingen van het vonnis conform het grievenformulier”; - in het grievenformulier heeft het openbaar ministerie een rubriek Volgberoep aangekruist, met de toevoeging: “Gelet op het aangetekende hoger beroep volgt het openbaar ministerie het ingestelde hoger beroep en tekent het ook hoger beroep aan wat betreft de uitgesproken straffen m.b.t. deze partij. Aangezien de opgelegde straf of maatregel lager ligt of gunstiger is dan de wettelijk bepaalde maximumstraf is het wenselijk een eventueel strengere bestraffing te laten beoordelen door de hogere rechter. Beklaagde is nog steeds lichamelijk ongeschikt. De toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet dient te worden bevestigd”.
- Daaruit volgt dat: - het hoger beroep van de eiser geen betrekking had op de met het vonnis van 17 juni 2025 uitgesproken vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid; - volgens de formulering van de door het openbaar ministerie ontwikkelde grief het openbaar ministerie geen hervorming nastreefde van de met het vonnis van 17 juni 2025 uitgesproken vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en die beveiligingsmaatregel dan ook niet het voorwerp is van een door het openbaar ministerie aangevoerde grief.
- Derhalve behoort de bij toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet bij vonnis van 17 juni 2025 tegen de eiser uitgesproken vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid niet tot de saisine van het appelgerecht en verkreeg het vonnis van 17 juni 2025 wat die beveiligingsmaatregel betreft kracht van gewijsde bij het verstrijken van de appeltermijnen tegen dat vonnis.
- Het vonnis kan dan ook niet oordelen dat het door de eiser op 30 december 2025 bij het parket ingediende verzoek tot herziening van de met het vonnis van 17 juni 2025 uitgesproken vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid niet voldoet aan de voorwaarde dat het slechts maar kan worden ingediend minstens zes maanden na de dag van de uitspraak van het in kracht van gewijsde gegaan vonnis dat de ongeschiktheid heeft uitgesproken en op die grond het verzoek onontvankelijk verklaren. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de politierechtbank Oost-Vlaanderen, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div