id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.21 Rolnummer: P.26.0627.N Zaak: Ö. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-05-08 Raadplegingen: 369 - laatst gezien 2026-06-18 15:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Tekst van de beslissing Nr. P.26.0627.N G. Ö., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Stijn Schütt, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 31 maart 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. In zijn memorie verduidelijkt de eiser dat hoewel het cassatieberoep werd aangetekend tegen alle beschikkingen van het vonnis, het is beperkt tot de voorwaarden waaraan de uitgaansvergunningen werden gekoppeld. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voorafgaandelijk 1. Artikel 79, § 3, tweede lid, Interneringswet bepaalt dat het Hof van Cassatie uitspraak doet binnen de dertig dagen, te rekenen vanaf het instellen van het cassatieberoep. 2. Het dossier waarop het cassatieberoep van 3 april 2026 betrekking heeft, werd pas op de griffie van het Hof ontvangen op dinsdag 28 april 2026. Derhalve kon het Hof rekening houdend met de noodzaak de eiser op te roepen en de tijd nodig voor de raadsheren en de advocaat-generaal om het cassatieberoep en de cassatiememorie te onderzoeken, de zaak slechts op de rechtszitting van 5 mei 2026 behandelen. 3. De wetgever heeft niet voorzien in een sanctie bij de niet-naleving van de in artikel 79, § 3, tweede lid, Interneringswet bepaalde termijn. Het betreft een ordetermijn. Het verzuim die termijn na te leven is zonder invloed op de wettigheid van de bestreden beslissing en leidt niet tot de invrijheidstelling van de eiser. Afstand van het cassatieberoep 4. Aan de eiser wordt akte verleend van de afstand van zijn cassatieberoep in zoverre het is gericht tegen andere beschikkingen dan het opleggen van de voorwaarden 7 en 9 voor de aan de eiser toegekende uitgaansvergunningen. Middel 5. Het middel voert schending aan van de artikelen 26, 1°, d), 34, tweede lid en 37 Interneringswet: de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) weigert om de regioverboden te versoepelen of te moduleren, terwijl alleen slachtoffergerichte voorwaarden kunnen worden opgelegd om aan de tegenaanwijzingen tegemoet te komen of indien die noodzakelijk zijn in het belang van de slachtoffers; de gevraagde versoepeling bestond erin dat het louter doorkruisen van het grondgebied van de gemeenten Genk, Maasmechelen en Bilzen via snelwegen zou worden toegestaan; het verbod om met een privévoertuig over een autosnelweg te rijden in die gemeenten kan niet onder die doelstellingen vallen; de beperking van de persoonlijke vrijheid van een geïnterneerde kan niet verder reiken dan wat noodzakelijk is in het licht van die doelstellingen; dit moet objectief worden beoordeeld; het belang van de slachtoffers wordt op afdoende wijze gewaarborgd door de voorwaarde 8. 6. De kamer die uitgaansvergunningen toekent, kan aan de toekenning ervan volgens artikel 37 Interneringswet geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden verbinden om tegemoet te komen aan de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen of die noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers. 7. Of een dergelijke voorwaarde tegemoet komt aan de tegenaanwijzingen of noodzakelijk blijkt in het belang van de slachtoffers wordt onaantastbaar beoordeeld door de kamer. 8. De kamer oordeelt dat rekening houdend met de diverse standpunten de voorwaarden niet worden aangepast, dat de regioverboden weloverwogen werden opgelegd en verder moeten worden nageleefd en dat het aan de eiser is om alternatieven te zoeken om zijn familie te bezoeken zonder hierbij de slachtoffers te verontrusten. 9. Het middel dat geheel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.