← België

H. contra BBK CONSTRUCTIONS bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260507.1N.4 Rolnummer: C.24.0394.N Zaak: H. contra BBK CONSTRUCTIONS bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2026-05-21 Raadplegingen: 377 - laatst gezien 2026-06-18 17:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: OPSTAL (RECHT VAN) RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Tekst van de beslissing Nr. C.24.0394.N F. H., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. BBK CONSTRUCTIONS bv, met zetel te 2990 Wuustwezel, Bredabaan 52, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0833.068.167, verweerster, 2. A. H., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerder woonplaats kiest, 3. J. H., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 15 april 2024. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 2 april 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Een opstalhouder kan, binnen de grenzen van zijn recht, het opstalvolume of de bouwwerken die daarbinnen zijn aangebracht, verhuren aan een derde voor de duurtijd van zijn opstalrecht. Bij het tenietgaan van het opstalrecht door het verstrijken van de duurtijd ervan, eindigt ook de huurovereenkomst tussen de opstalhouder en de derde van rechtswege. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 2. Mede met verwijzing naar de redenen van de eerste rechter, stelt de appelrechter vast en oordeelt hij dat: - de nv H. en de nv A. aan de eiser, de tweede en de derde verweerder een opstalrecht hebben verleend voor een duurtijd van 17 jaar respectievelijk 15 jaar op de gronden gelegen te (…); - tussen de opstalhouders en de eerste verweerster verschillende huurovereenkomsten zijn tot stand gekomen met betrekking tot de bouwwerken opgericht door de opstalhouders op de voormelde gronden; - noch in de overeenkomst tot vestiging van het opstalrecht, noch in de huurovereenkomsten tussen de opstalhouders en de eerste verweerster, een regeling werd opgenomen met betrekking tot het lot van de huurovereenkomsten bij het einde van het opstalrecht; - het opstalrecht van de eiser, de tweede en de derde verweerder is tenietgegaan door het verstrijken van de overeengekomen duurtijd. Op grond van deze in de plaats gestelde redenen is de beslissing dat de eiser bij het tenietgaan van zijn opstalrecht de eerste verweerster niet langer kan aanspreken tot betaling van de huurprijs, naar recht verantwoord. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden is bij gebrek aan belang in zoverre niet ontvankelijk. (…) Derde middel 7. Artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Volgens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding koppelt de rechtsplegingsvergoeding aan een procesverhouding, waarbij de in het gelijk gestelde partij wordt bijgestaan door een advocaat. 8. Wanneer een of meer eisers bij eenzelfde akte onderscheiden vorderingen op eenzelfde grondslag instellen tegen een of meer verweerders, zonder dat de afsplitsing van de zaken wordt gevorderd en gelast, dient de rechter, vooraleer meerdere rechtsplegingsvergoedingen toe te kennen en ook al doet iedere vordering in beginsel een afzonderlijke procesverhouding ontstaan, na te gaan of de samengevoegde zaken, gelet op de concrete elementen ervan, in hun geheel beschouwd niet eenzelfde geschil uitmaken, maar wel afzonderlijke geschillen. 9. De appelrechter die de eiser veroordeelt tot betaling van een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding aan elk van de drie verweerders, zonder na te gaan of de verschillende procesverhoudingen tussen de eiser en elk van de drie verweerders eenzelfde geschil dan wel afzonderlijke geschillen uitmaken, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de toekenning van de rechtsplegingsvergoedingen in hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Limburg, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260507.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.