← België

ELKE’S CYCLING COMMUNITY bv c. PELOTON INTERACTIVE INC.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260507.1N.5 Rolnummer: C.24.0374.N Zaak: ELKE'S CYCLING COMMUNITY bv c. PELOTON INTERACTIVE INC. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2026-05-21 Raadplegingen: 391 - laatst gezien 2026-06-18 17:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK MERKEN - GEMEENSCHAPSMERK Tekst van de beslissing Nr. C.24.0374.N E. CYCLING COMMUNITY bv, (…) eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen PELOTON INTERACTIVE Inc., vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 10001 New York (Verenigde Staten), 441 9th Avenue, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 21 mei 2024. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 2 april 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 59.1, b), Verordening (EU) 2017/1001 van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk, hierna Uniemerkverordening, wordt het Uniemerk op vordering bij het Bureau of op reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig verklaard, wanneer de aanvrager bij indiening van de aanvraag te kwader trouw was. Krachtens artikel 2.2bis, punt 2, BVIE, dat de omzetting vormt van artikel 4.2 Richtlijn (EU) 2015/2436 van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, kan een merk nietig worden verklaard wanneer de aanvraag om inschrijving van het merk te kwader trouw is ingediend. 2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat het begrip kwade trouw een autonoom unierechtelijk begrip is dat, gelet op de noodzaak van een coherente toepassing van het stelsel van nationale merken en Uniemerken, in de context van de richtlijn op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als in de context van de verordening (HvJ 29 januari 2020, C-371/18, Sky, r.o. 73). 3. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie is er sprake van kwade trouw in de zin van artikel 59.1, b), van de verordening wanneer uit relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de houder van een Uniemerk zijn aanvraag tot inschrijving van dat merk niet heeft ingediend om op een eerlijke wijze deel te nemen aan de mededinging, maar met het oogmerk afbreuk te doen aan de belangen van derden op een wijze die niet strookt met de eerlijke gebruiken of met het oogmerk – zelfs zonder een derde in het bijzonder te viseren – een uitsluitend recht te verkrijgen voor andere doeleinden dan die welke vallen onder de functies van een merk, met name de wezenlijke functie van herkomstaanduiding (HvJ 12 september 2019, C-104/18 P, Koton, r.o. 46; HvJ 29 januari 2020, C-371/18, Sky, r.o. 75). Bij de beoordeling van het bestaan van kwade trouw moet dus het oogmerk van de aanvrager op het tijdstip van de indiening van de merkaanvraag in aanmerking worden genomen (HvJ 11 juni 2009, C-529/07, Lindt & Sprüngli, r.o. 41). Het oogmerk van de aanvrager van een merk is een subjectief gegeven dat echter op objectieve wijze moet worden vastgesteld. De kwade trouw moet bijgevolg globaal worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante feitelijke omstandigheden van het geval (HvJ 11 juni 2009, C-529/07, Lindt & Sprüngli, r.o. 37 en 42; HvJ 12 september 2019, C-104/18 P, Koton, r.o. 47). Hierbij staat het aan de verzoeker tot nietigverklaring om de objectieve omstandigheden aan te tonen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat een aanvraag tot inschrijving van een merk te kwader trouw is ingediend, aangezien de goede trouw van de aanvrager tot bewijs van het tegendeel wordt vermoed. Wanneer wordt vastgesteld dat dit vermoeden van goede trouw kan worden weerlegd op basis van de objectieve omstandigheden van het concrete geval waarop de verzoeker tot nietigverklaring zich beroept, staat het aan de merkhouder om een plausibele verklaring te geven met betrekking tot de doelstellingen en de commerciële logica van de aanvraag tot inschrijving van dat merk (Gerecht 21 april 2021, T-663/19, Hasbro, r.o. 42-43). 4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft inzake het herhaaldepot geoordeeld dat het in beginsel niet verboden is om opnieuw een aanvraag tot inschrijving van hetzelfde merk in te dienen, zodat een dergelijke indiening op zich geen bewijs vormt van kwade trouw van de aanvrager, indien zij niet gepaard gaat met andere relevante elementen die door de verzoeker tot nietigverklaring worden aangevoerd (Gerecht 21 april 2021, T-663/19, Hasbro, r.o. 70). Het Hof van Justitie van de Europese Unie brengt in herinnering dat, krachtens artikel 18.1 van de verordening, het uitsluitend recht van de merkhouder slechts wordt verzekerd indien deze, bij het verstrijken van een respijttermijn van vijf jaar, in staat is het bewijs van het normale gebruik van zijn merk te leveren, ter vrijwaring van de onvervalste mededinging (Gerecht 21 april 2021, T-663/19, Hasbro, r.o. 54-55). Er is sprake van kwade trouw indien de aanvrager met het herhaaldepot het oogmerk heeft deze regel te omzeilen door kunstmatig een situatie in het leven te roepen waarin hij geen bewijs hoeft te leveren van het normale gebruik van de litigieuze merken (Gerecht 21 april 2021, T-663/19, Hasbro, r.o. 63-65). Bij de globale beoordeling van dit oogmerk kan rekening worden gehouden met het geheel van bijzondere omstandigheden, zoals de oorsprong van het teken en het gebruik ervan sinds zijn ontstaan, de commerciële logica die is gevolgd bij de indiening van de aanvraag tot inschrijving alsook de chronologische volgorde van de gebeurtenissen die deze indiening hebben gekenmerkt (Gerecht 21 april 2021, T-663/19, Hasbro, r.o. 38). 5. Uit deze rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt kennelijk dat het vermoeden van goede trouw van de aanvrager niet kan worden weerlegd op grond van de enkele vaststelling dat de aanvrager daadwerkelijk een voordeel heeft gehaald uit zijn herhaaldepot doordat hij in oppositieprocedures heeft vermeden het bewijs van een normaal gebruik van het litigieuze merk te moeten leveren. Dit vermoeden wordt slechts weerlegd indien, aan de hand van het geheel van objectieve omstandigheden van het geval, wordt aangetoond dat de aanvrager op het ogenblik van de indiening van de merkaanvraag het oogmerk had om de regel inzake het bewijs van normaal gebruik van het merk te omzeilen. 6. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het voordeel dat de aanvrager daadwerkelijk uit zijn herhaaldepot heeft verkregen doordat hij in oppositieprocedures heeft vermeden het bewijs van een normaal gebruik van het merk te moeten leveren, in elk geval als objectieve omstandigheid kwalificeert die volstaat om het vermoeden van goede trouw van de aanvrager te weerleggen, faalt het naar recht. 7. De appelrechters oordelen dat de eiseres geen objectieve omstandigheden aanreikt waaruit blijkt dat de verweerster de ingeroepen merken niet heeft ingediend om op een eerlijke wijze deel te nemen aan de mededinging, maar met het oogmerk afbreuk te doen aan de belangen van derden op een wijze die niet strookt met de eerlijke gebruiken of met het oogmerk een uitsluitend recht te verkrijgen voor andere doeleinden dan die van het merkenrecht, zodat het vermoeden van goede trouw van de verweerster overeind blijft, op de gronden dat: - een herhaaldepot niet automatisch een bewijs van kwade trouw oplevert en een dergelijke indiening op zich geen bewijs van kwade trouw vormt indien zij niet gepaard gaat met andere relevante elementen; - er commerciële redenen kunnen zijn om een merk opnieuw in te dienen en het een gangbare bedrijfspraktijk is een merk opnieuw te registreren met het doel een moderne versie ervan te beschermen; - wanneer een merkaanvrager de waren- en dienstenomschrijving van zijn eerdere merken in een nieuwe aanvraag tot inschrijving bijwerkt, het denkbaar is dat hij heeft beslist zijn commerciële strategie te richten op waren of diensten waarin hij geïnteresseerd was of die hem in de nabije toekomst zouden kunnen interesseren; - het louter indienen van een aanvraag tot inschrijving van eenzelfde merk enige tijd voor het verstrijken van de respijttermijn van een ouder merk niet volstaat om tot kwaadwillige intentie van de merkaanvrager te besluiten; - de door de eiseres weergegeven tijdslijn bovendien misleidend is; - de verweerster het Uniemerk eindigend op ’70 al op 10 juli 2019 heeft aangevraagd, terwijl haar eerdere internationale registratie pas op 3 augustus 2020 gebruiksplichtig werd; - de verweerster het Uniemerk eindigend op ’45 reeds op 4 juli 2019 heeft aangevraagd, waarvan de geclaimde diensten in klasse 35 volgens de eiseres overeenstemmen met de diensten in klasse 38 van de eerdere internationale registratie; - de verweerster het Beneluxmerk pas op 30 april 2021 heeft aangevraagd, terwijl haar eerdere internationale registratie al op 25 januari 2021 in de Benelux gebruiksplichtig was geworden; - anders dan de eiseres beweert, de verweerster de ingeroepen merken dus niet heeft ingediend op een ogenblik waarop haar eerdere merken bijna gebruiks- plichtig werden; - het feit dat de in het nieuwe Beneluxmerk geclaimde diensten deels overlappen met de door de eiseres aangeboden diensten, met name blogs en het streamen van audio, geen aanwijzing vormt van een depot met het enkele doel de activiteiten van de eiseres te blokkeren; - de verweerster immers reeds lang voor de start van de activiteiten van de eiseres over het Uniemerk eindigend op ’70 beschikte voor “streaming van geluids- en videomateriaal op internet op het gebied van fitness, fitnesslessen, welzijn, voeding, mindfulness, meditatie, training en instructie; informatie, advies en hulp met betrekking tot al het voornoemde” in klasse 38; - het gegeven dat de verweerster nog niet actief is in de Benelux geen objectieve omstandigheid vormt waaruit het oogmerk van de verweerster op het tijdstip van de indiening van de ingeroepen merken af te leiden valt; - het feit dat de verweerster in de voorliggende procedure en in andere procedures uitsluitend de Uniemerken eindigend op ’45, ’70 en ’05 en haar Benelux woordmerk 1441815 inroept, en niet haar oudere merken met nummers 1217430 en 1372952, niet volstaat om het vermoeden van goede trouw te weerleggen. 8. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, geven de appelrechters wel aan waarom de omstandigheid dat de verweerster een voordeel heeft gehaald uit het herhaaldepot doordat zij in de aangehaalde procedures heeft vermeden het bewijs van normaal gebruik van het merk te moeten leveren, niet als objectieve omstandigheid kwalificeert die het vermoeden van goede trouw weerlegt, namelijk omdat uit de andere door de eiseres aangevoerde objectieve omstandigheden de kwade trouw van de verweerster niet blijkt. In zoverre het onderdeel op die grond schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, artikel 59.1, b), Uniemerkverordening en artikel 2.2bis, punt 2, BVIE, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 475,94 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260507.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.