← België

B. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.11 Rolnummer: P.26.0391.N Zaak: B. contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-06-02 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-06-18 14:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0391.N J.-M. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen E. L., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 11 februari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM en artikel 149 Grondwet: niettegenstaande de eiser in zijn appelconclusie heeft gevraagd bij de straftoemeting rekening te houden met zijn leeftijd en zijn kwetsbare gezondheidstoestand, blijkt niet dat de appelrechters dit hebben gedaan; zij leggen aan de eiser anders dan de door eerste rechter omwille van die leeftijd en gezondheidstoestand opgelegde straf onder elektronisch toezicht een effectieve gevangenisstraf op; zij nemen de daarmee verband houdende motieven van de eerste rechter niet over (eerste onderdeel); het arrest beantwoordt niet eisers in zijn appelconclusie geformuleerde verzoek om gelet op zijn leeftijd en gezondheidstoestand geen effectieve vrijheidsstraf op te leggen (tweede onderdeel). 2. Uit artikel 3 EVRM, dat een verbod bevat op onmenselijke of vernederende straffen, volgt niet dat indien een beklaagde zonder enige nadere onderbouwing vraagt dat hem gelet op zijn leeftijd en gezondheidstoestand geen effectieve gevangenisstraf wordt opgelegd, maar slechts een straf onder elektronisch toezicht, de rechter op dit verzoek moet ingaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. Het arrest (p. 23, randnr. 31, punt b.) vermeldt uitdrukkelijk dat het de overwegingen van het beroepen vonnis (p. 8-9) op het vlak van straftoemeting overneemt, met uitzondering evenwel van wat is geschreven in paragraaf 5. Dit betreft het oordeel van de eerste rechter dat gelet op leeftijd en de gezondheidstoestand van de eiser hem geen effectieve gevangenisstraf wordt opgelegd, maar wel een straf onder elektronisch toezicht. 4. Daaruit volgt dat de appelrechters wel degelijk het verzoek van de eiser om hem geen effectieve gevangenisstraf maar wel een straf onder elektronisch toezicht in overweging hebben genomen, maar dat zij gelet op de elementen die zij opsommen in randnr. 31 van het arrest en gelet op de in randnr. 33 vermelde doelstellingen een straf onder elektronisch toezicht te licht vinden en zij naast een effectieve geldboete van 1.000,00 euro (te verhogen met de opdeciemen) een effectieve hoofdgevangenisstraf van één jaar noodzakelijk vinden. Aldus beantwoorden en verwerpen de appelrechters het door het middel bedoelde verzoek. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod 5. Artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bepaalt dat wanneer de rechter een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader of als medeplichtige van een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis Strafwetboek hij aan die veroordeelde tevens het verbod kan opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen en dit voor minstens drie jaar maar niet langer dan tien jaar. 6. Het arrest veroordeelt de eiser niet voor een van de in artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod vermelde misdrijven, maar legt hem niettemin door bevestiging van het beroepen vonnis het verbod op om gedurende tien jaar persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen. Aldus schendt het arrest artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod. Ambtshalve onderzoek voor het overige 7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het door bevestiging van het beroepen vonnis aan de eiser het door artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde verbod oplegt om gedurende tien jaar persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vijf zesden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 153,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.