id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.17 Rolnummer: P.26.0632.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-06-02 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-06-18 16:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Duur, begin en einde Tekst van de beslissing Nr. P.26.0632.N M. M., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Seno Devriendt, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 3 april 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de veroordeelde cassatieberoep instelt binnen een termijn van vijf dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis. 2. Het op tegenspraak gewezen vonnis werd uitgesproken op 3 april 2026. Door de raadsman van de eiser werd op 17 april 2026 cassatieberoep ingesteld, dit is buiten de voormelde termijn van vijf dagen. 3. De eiser vraagt in een “voorafgaandelijk middel” dat het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag zou stellen: “Schendt artikel 97 Wet Strafuitvoering de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 EVRM en in voorkomend geval met de artikelen 5 en 6 EVRM, in zoverre het bepaalt dat een cassatieberoep moet worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, zonder dat voorzien is in een verplichting om de veroordeelde op duidelijke en effectieve wijze te informeren over het bestaan van dat rechtsmiddel, de termijn en de modaliteiten ervan, terwijl die termijn bijzonder kort is en het rechtsmiddel technisch van aard is en doorgaans de bijstand van een advocaat vereist, en terwijl in burgerlijke procedures, met name krachtens de artikelen 780/1 en 792 Gerechtelijk Wetboek, wel wordt voorzien in een verplichting tot kennisgeving van de beschikbare rechtsmiddelen en de toepasselijke termijnen, alsook in een systeem waarbij de beroepstermijn maar aanvangt wanneer deze informatie op regelmatige wijze werd verstrekt, zodat een verschil in behandeling ontstaat dat de effectieve toegang tot de rechter kan aantasten?” 4. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Immers: - het Hof moet volgens artikel 97, § 3, tweede lid, Wet Strafuitvoering uitspraak doen binnen dertig dagen te rekenen van het instellen van het cassatieberoep; - eisers aanvoering gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat voor een veroordeelde slechts cassatieberoep kan worden ingesteld gedurende een termijn van vierentwintig uur vanaf de kennisgeving, terwijl artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat namens de veroordeelde cassatieberoep kan worden ingesteld binnen een termijn van vijf dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis; - eisers aanvoering gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat de eiser zelf cassatieberoep kan instellen tegen beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank, terwijl uit de samenlezing van de artikelen 96 tot en met 98 Wet Strafuitvoering en artikel 425 Wetboek van Strafvordering volgt dat het cassatieberoep tegen een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank slechts kan worden ingesteld door een advocaat die houder is van een getuigschrift van cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III Wetboek van Strafvordering; - de voorgestelde prejudiciële vraag beoogt de vergelijking van volstrekt niet vergelijkbare rechtstoestanden, namelijk enerzijds het instellen van het rechtsmiddel van cassatieberoep tegen beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank en anderzijds het hoger beroep in burgerlijke zaken, waarbij telkens de in het geding zijnde belangen, de voorwaarden en de modaliteiten volstrekt verschillend zijn. 5. Eisers cassatieberoep is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Middel 6. Het middel dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van eisers cassatieberoep, behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.